RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL22.7705 (beroep) en NL22.7707 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Z. Abachi). Procesverloop In het besluit van 20 januari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. In het besluit van 4 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL22.7705). Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL22.7707). De rechtbank heeft alleen het beroep op 29 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Fouexes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1961. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een artikel 9-document waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Hij wenst namelijk te verblijven bij zijn zoon, kleinzoon en schoondochter [naam] (hierna: referente) in Nederland. 2. Verweerder heeft die aanvraag in het primaire besluit afgewezen, omdat eiser volgens hem niet ten laste komt van referente, zoals is bedoeld in artikel 8.7, respectievelijk tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat hij door referente materieel is ondersteund, dan wel dat de gestelde materiele ondersteuning noodzakelijk en reëel was omdat eiser vanwege zijn economische en sociale toestand niet in zijn basisbehoeften kon voorzien. Ook is niet gebleken dat eiser al in Griekenland gezamenlijk en daadwerkelijk inwoonde bij zijn zoon en referente, aldus verweerder. Dat eiser bijdraagt in de opvoeding en begeleiding van zijn kleinzoon maakt dit voor verweerder niet anders. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser vindt dat hij wel degelijk voldoende bewijsstukken heeft overgelegd waarmee vastgesteld kan worden dat hij feitelijk en daadwerkelijk bij referente in Griekenland heeft gewoond en ten hare laste kwam. Ook vindt eiser het bevreemdend dat verweerder opmerkt dat hij wellicht andere inkomensbronnen zou hebben. Verder blijkt volgens eiser uit de door hem overgelegde stukken dat hij al meer dan een jaar bij het gezin van referente in Nederland verblijft. Verweerder had volgens eiser in de bijzondere omstandigheden rond eisers kleinzoon reden moeten zien om eventueel in afwijking van zijn beleid de aanvraag van eiser toch in te willigen. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 8 van het EVRM en ook nagelaten om eiser te horen op zijn bezwaar. Wat is het oordeel van de rechtbank? Ten laste van-criterium 4.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser heeft aangetoond dat hij ten laste is van referente en haar gezin, als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat uit het beleid van verweerder volgt dat verweerder in dit geval moet beoordelen of eiser, op het moment dat hij verzoekt om hereniging met referente en haar gezin, in Griekenland materieel werd ondersteund door referente. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn. Volgens zijn beleid neemt verweerder in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als eiser vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoeften kan voorzien. Verweerder neemt volgens zijn beleid in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning reëel is als referente aan eiser ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor eiser noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in Griekenland. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat de financiële steun van referent noodzakelijk was om in de basisbehoeften van eiser te voorzien. Onvoldoende is gebleken dat de financiële steun van referente de enige inkomsten van eiser zijn. Het document dat is opgemaakt door de Albanese autoriteiten van de deelstaat Perondi van 1 december 2021 waaruit blijkt dat eiser geen financiële steun ontvangt van de Albanese (lagere) overheid heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om deze conclusie te kunnen trekken. Nog daargelaten dat het document is gedateerd op een datum waarop eiser al in Nederland zou verblijven, sluit dit document niet uit dat eiser over andere inkomstenbronnen beschikte. Het gegeven dat eiser in Griekenland geen recht had op financiële steun maakt dit niet anders. 4.4. Eiser heeft nagelaten stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk financieel en materieel afhankelijk van referente en haar gezin was. Eisers stelling dat het voor hem niet mogelijk is om het voorgaande te bewijzen aangezien hij inwoonde bij referente en haar gezin en zij alle kosten/vaste lasten betaalden, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder in het bestreden besluit en ook in zijn brief van 22 december 2021 heeft voorgesteld, had eiser dit wel degelijk kunnen aantonen middels het overleggen van onder meer betaalbewijzen waaruit blijkt dat referente de vaste lasten van eiser in Griekenland heeft betaald, zoals medische- en/of tandartsrekeningen of kosten voor het levensonderhoud. Een afschrift van de Griekse belastingdienst waaruit blijkt dat referente en de zoon van eiser inkomen hebben verdiend toont niet aan dat eiser ten laste kwam van referente. 4.5. Dat eiser sinds zijn inreis in Nederland bij referente en haar gezin in huis zou verblijven en dit ook blijkt uit het feit dat eiser zijn kleinzoon vijf dagen per week naar het ABA huis brengt, doet, wat hier ook van zij, niet aan het voorgaande af. Op grond van verweerders beleid wordt slechts getoetst of eiser in het land van herkomst of het land vanwaar referente kwam materieel werd ondersteund door referente. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Samenwoning in Griekenland 5.1. Partijen zijn verder verdeeld over de vraag of eiser heeft aangetoond dat hij in het land van herkomst – Griekenland – heeft ingewoond bij referente en haar gezin als bedoeld in artikel 8.7 derde lid, onder a, van het Vb 2000. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit niet het geval is, en legt hieronder uit waarom. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd om zijn inwoning bij referente en haar gezin te onderbouwen. Eiser heeft enkel een (vertaling van een) afschrift van een niet ondertekende huurovereenkomst overgelegd, waarin onder ‘opmerkingen’ staat opgenomen dat het huurobject zal worden gebruikt als woning van de huurder, van diens echtgenote en van hun kind en van de vader, waarna de naam van eiser als naam van de vader staat genoemd. Eiser heeft echter geen bewijsstukken overgelegd waaruit zijn feitelijke en daadwerkelijke inwoning bij referente en haar gezin blijkt. Eisers stelling dat het niet mogelijk zou zijn om op dit punt meer bewijsstukken te overleggen, volgt de rechtbank niet. Zo had eiser onder meer, zoals verweerder in zijn brief van 22 december 2021 al heeft aangegeven, rekeningen of brieven gericht aan eiser kunnen overleggen waaruit het feitelijk verblijf van eiser en referente in Griekenland blijkt, of had eiser uittreksels uit het bevolkingsregister of bewijzen van inschrijving en uitschrijving van de gemeente(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.