RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/5100 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2023 in de zaak tussen [eiseres], thans wonende te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. J.D. Dobosz), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: D.L. Swart). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit van het college van 28 juni 2021 (het bestreden besluit). Bij dat besluit heeft het college beslist op bezwaren van eiseres tegen een viertal besluiten. Deze besluiten hadden betrekking op de aan eiseres verleende bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van bewindvoering (inclusief intakekosten en aanvangswerkzaamheden). Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het college heeft de gedingstukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Overwegingen 1. Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Aan eiseres is bij besluit van 25 november 2019 met ingang van 16 juli 2019 bijzondere bijstand van € 75,50 per maand toegekend voor de kosten van bewindvoering. Bij een ander besluit van dezelfde datum is bijzondere bijstand toegekend voor de intakekosten en aanvangswerkzaamheden. Dit betrof een bedrag van € 644,93. In verband met de resultaten van een heronderzoek naar de financiële positie van eiseres heeft het college de bijzondere bijstand beëindigd en daartoe de volgende vier besluiten genomen: besluit
(1)van 3 december 2020, waarbij de aan eiseres toegekende bijzondere bijstand op grond van de Pw voor de maandelijkse kosten van bewindvoering vanaf 16 juli 2019 stopt; besluit
(2)van 3 december 2020 waarbij de aan eisers toegekende bijzondere bijstand op grond van de Pw voor de intakekosten en aanvangswerkzaamheden vanaf 11 oktober 2019 stopt; besluit
(3)van 1 februari 2021 waarbij de aan eiseres toegekende bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewindvoering vanaf 16 juli 2019 wordt gestopt en waarbij is bepaald dat eiseres een bedrag van € 1.277,99 moet terugbetalen; besluit
(4)van 1 februari 2021 waarbij de aan eiseres toegekende bijzondere bijstand voor de intakekosten en aanvangswerkzaamheden vanaf 16 juli 2021 wordt gestopt en waarbij is bepaald dat eiseres een bedrag van € 644,93 moet terugbetalen.
- Terwijl de bezwaren van eiseres tegen deze besluiten in behandeling waren, heeft het college op 6 mei 2021 nieuwe besluiten genomen (de correctiebesluiten). Die besluiten houden in dat eiseres vanaf 16 juli 2019 bijzondere bijstand krijgt voor de maandelijkse kosten van bewindvoering, maar tot een bedrag van € 75,50 per maand (€ 147,62 minus de draagkracht van € 74,12). Per 1 juli 2020 wordt de bijzondere bijstand beëindigd omdat eiseres vanaf die datum geacht wordt voldoende draagkracht te hebben om de kosten voor het bewind zelf te betalen. Het besluit van 1 februari 2021 inzake de intrekking en terugvordering van bijzondere bijstand voor intakekosten en aanvangswerkzaamheden is geheel komen te vervallen. De terugvordering van de bijzondere bijstand is in verband met deze nieuwe besluiten verlaagd tot een bedrag van € 391,
- Dit betreft de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 november 2020 waarover reeds bijzondere bijstand was uitgekeerd.
- Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de vier besluiten van 3 december 2020 en 1 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het correctiebesluit van 6 mei 2021 is ongegrond verklaard. Verder heeft het college de kosten van de bezwaarprocedure vergoed tot een bedrag van € 534,-.
- Eiseres voert aan dat het college het bezwaar tegen de vier besluiten van 3 december 2020 en 1 februari 2021 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betoog slaagt niet. Uit de hierboven weergegeven gang van zaken blijkt dat het college hangende de bezwaarprocedure heeft erkend dat de vier besluiten niet correct waren. Daarom heeft het college deze besluiten gecorrigeerd met de besluiten van 6 mei
- Tegelijkertijd heeft het college de eerder genomen besluiten van 3 december 2020 en 1 februari 2021 herroepen. Dit betekent dat eiseres geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van deze besluiten in bezwaar. In zo’n situatie hoeft het college de bezwaren niet gegrond te verklaren. Het verzoek van eiseres in bezwaar om een proceskostenvergoeding, levert geen procesbelang op bij de beoordeling van het bezwaar. Bovendien heeft het college de kosten van de bezwaarprocedure vergoed, zodat eiseres in dat opzicht niet tekort is gedaan.
- Vervolgens voert eiseres aan dat het bezwaar tegen de nieuwe besluiten ten onrechte ongegrond is verklaard, omdat het teruggevorderde bedrag aanzienlijk is verlaagd. Ook dit betoog slaagt niet. Nu het college hangende het bezwaar tegen de eerdere vier besluiten op 6 mei 2021 nieuwe besluiten heeft genomen over de aan eiseres toegekende bijzondere bijstand, golden die nieuwe besluiten als besluiten in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb die van rechtswege mede bij de behandeling van het bezwaar dienden te worden betrokken. Artikel 7:11, tweede lid, van de Awb verplicht het college niet tot gegrondverklaring van het bezwaar tegen een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb als dat nieuwe besluit in bezwaar wordt gehandhaafd.
- Ten slotte voert eiseres dat aan het bedrag van de terugvordering (€ 391,60) onjuist en onterecht is. Volgens eiseres stond in de toekenningsbeschikking van 25 november 2019 dat na 12 maanden opnieuw naar het recht op bijstand zou worden gekeken. Daarom kan het college volgens eisers niet per 1 juli 2020 tot een herziening van de toegekende bijstand besluiten. Ook dit betoog faalt. Uit de toekenningsbeschikking van 25 november 2019 blijkt dat de bijzondere bijstand in de maandelijkse kosten van bewindvoering is toegekend per 1 juli 2019 en dat de toen gemaakte draagkrachtberekening betrekking had op de periode van 1 juli 2019 tot 1 juli
- Eiseres kon er dus van uitgaan dat het college op of omstreeks 1 juli 2020 een nieuwe draagkrachtberekening zou maken. Tegen die berekening zijn geen gronden aangevoerd zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid ervan.
- Gelet op het voorgaande dient het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond te worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.