RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/4196 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2023 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. P.K. Singh), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. G.J.M. Naber). Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om met terugwerkende kracht haar een aanvullende beurs toe te kennen voor 2019 en 2020 afgewezen. Bij besluit van 31 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. [naam], waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
- Eiseres heeft de Roemeense nationaliteit en is daarmee een burger van de Unie. Zij heeft al eerder op 25 september 2020 verzocht om een aanvullende beurs en om bij het vaststellen van haar recht op studiefinanciering geen rekening te houden met het inkomen van haar vader. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een aanvraag voor een aanvullende beurs met ingang van 1 oktober
- Bij besluit van 25 september 2020 is eiseres een aanvullende beurs toegekend voor oktober 2020, maar is het bedrag op nihil vastgesteld omdat verweerder niet kon vaststellen wie haar ouders waren. Vanaf november 2020 is haar aanvraag afgewezen, omdat eiseres geen recht meer heeft op de prestatiebeurs, waarvan de aanvullende beurs een onderdeel uitmaakte.
- Op 14 september 2021 heeft eiseres verweerder opnieuw verzocht om een aanvullende beurs met terugwerkende kracht voor 2019 en
- Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat het toekennen van studiefinanciering met terugwerkende kracht slechts kan tot het begin van het studiejaar waarin het wordt aangevraagd, wat bij deze aanvraag 1 september 2021 is. Wat wil eiseres in beroep?
- Eiseres vindt dat verweerder haar een aanvullende beurs over september 2020 had moeten toekennen, omdat zij een migrerende werknemer was op dat moment. Zij stelt hiervoor op 25 september 2020 een aanvraag te hebben ingediend. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank stelt vast dat uit het verzoek van eiseres van 25 september 2020 niet volgt dat zij verweerder heeft verzocht om haar met terugwerkende kracht een aanvullende beurs toe te kennen voor de maand september
- Eiseres heeft enkel verzocht om het inkomen van haar vader buiten beschouwing te laten. Verweerder heeft dit verzoek ambtshalve kunnen aanmerken als aanvraag om een aanvullende beurs per 1 oktober
- Als eiseres het niet eens was met de ingangsdatum van dit besluit, lag het op haar weg om hiertegen bezwaar te maken. Dit heeft zij niet gedaan, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
- Voor zover eiseres betoogt dat verweerder naar aanleiding van onderhavig verzoek van 14 september 2021 aanleiding had moeten zien om haar een aanvullende beurs toe te kennen voor september 2020, kan dit betoog niet slagen. Uit de wet volgt dat het niet mogelijk is om studiefinanciering met terugwerkende kracht toe te kennen voor een periode voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is gedaan. Dit betekent dat het niet mogelijk is om studiefinanciering voor september 2020 aan te vragen in september
- Wat is de conclusie?
- Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
- Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie artikel 3.21, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000.