← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:6386

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.11510 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 13 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 26 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
  2. Eiser voert aan dat maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat daaraan geen terugkeerbesluit ten grondslag ligt waaruit blijkt naar welk land eiser moet terugkeren.
  3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 volgt dat een besluit waarin geen land van terugkeer is vermeld, geen terugkeerbesluit is waarop een maatregel van bewaring kan worden gebaseerd. Het moet namelijk voor een vreemdeling kenbaar zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt. In deze uitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat de rechtsbescherming van de vreemdeling op dit punt niet in gevaar is, indien uit de motivering van het besluit ondubbelzinnig blijkt naar welk land verweerder verwacht dat de vreemdeling terugkeert. De maatregel van bewaring is gebaseerd op de meeromvattende beschikking van 8 januari 2021, welke tevens een terugkeerbesluit is. De rechtbank stelt vast dat in die beschikking geen land van terugkeer wordt benoemd. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat sprake is van een rechtsgeldig terugkeerbesluit. In de beschikking wordt Marokko als het land van herkomst benoemd, dus kan volgens verweerder uit het besluit niet anders blijken dan dat Marokko ook het land van terugkeer is. Het land van herkomst is echter niet per definitie het land waar de vreemdeling naar dient terug te keren. Het enkele feit dat eisers land van herkomst bekend is, is onvoldoende om te spreken van een rechtsgeldig terugkeerbesluit waar een maatregel van bewaring op gebaseerd kan worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag is gebaseerd. De beroepsgrond slaagt.
  4. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep gegrond verklaren. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 april
  5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 16 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = € 1.
  6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 april 2023; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.600, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.
  7. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  8. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2021:1155.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.