RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.12245 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: A. van Wijnen). Procesverloop Verweerder heeft op 27 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 28 april 2023 het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 maart 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu ter beoordeling of sinds 8 maart 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
- Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt, omdat onduidelijk is wanneer eiser kan worden gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten. Ook is onduidelijk of aan eiser op dat moment een LP wordt verstrekt.
- Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Dat er op dit moment geen presentatie is gepland, leidt niet tot een andere conclusie. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Nu uit het voortgangsrapport en de vertrekgesprekken blijkt dat eiser dat niet doet, dient de langere duur van de maatregel van bewaring en de lange duur voor een afspraak voor een presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten dan ook voor rekening en risico van eiser te komen.
- Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
- Laissez-passer. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraken van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210 en 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85.