← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:6628

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20375 en NL22.20380 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] , tezamen verzoeksters V-nummer: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek), en De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeksters om vergoeding van hun proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
  2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
  3. Verzoeksters zijn op 10 oktober 2022 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag. Op 9 januari 2023 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op hun aanvraag. Verzoeksters hebben daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
  4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeksters en aangegeven dat hij de proceskosten van verzoeksters wil betalen, maar dat wel sprake is van samenhangende zaken.
  5. Omdat verweerder pas nadat verzoeksters in beroep zijn gegaan een beslissing heeft genomen, krijgen verzoeksters een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag omdat verzoeksters een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen.
  6. De rechtbank beschouwt de zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in een zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van € 418,
  7. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van D.A.M. Delger, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 februari 2023 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.