RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/5234 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats 1], eiser en het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, het college, (gemachtigde: J.C. van Eeden). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [woonplaats 2], de vergunninghouder. Procesverloop In het besluit van 11 maart 2021 (het primaire besluit) heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee bedrijfspanden en een melding brandveilig gebruik op het perceel aan de [adres] [nummer] in [plaats]. De omgevingsvergunning ziet op de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het besluit van 7 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van het college en mr. J.J. Siereveld namens het college en de vergunninghouder deelgenomen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden. Overwegingen 1. Eiser woont naast het perceel aan de [adres] [nummer] in [plaats] en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Eiser voert allereerst aan dat hij niet in staat is gesteld om zijn bezwaren ten aanzien van de verleende bouwvergunning toe te lichten op een hoorzitting. De brief van het college van 17 juni 2021, waarin is gevraagd om zijn emailadres, ontving hij pas op 23 juni 2021. Op de zitting heeft eiser verder verklaard dat hij de uitnodiging van 8 juni 2021 voor de hoorzitting van 22 juni 2021 nooit heeft ontvangen. 1.1. Volgens het college is geen sprake van schending van de hoorplicht. Het college heeft gesteld dat er op 8 en 17 juni 2021 brieven over de hoorzitting aan eiser zijn verstuurd. Ter zitting is toegelicht dat uit de schermprints van het postregistratiesysteem volgt dat de brief van 8 juni 2021 is verzonden op 9 juni 2021 en dat de brief van 17 juni 2021 is verzonden op 18 juni 2021. Volgens het college wordt de verzenddatum automatisch gegenereerd in het postregistratiesysteem op de dag dat de post wordt overhandigd aan PostNL. Het college heeft aangegeven dat er - anders dan de schermprints van het postregistratiesysteem - geen bewijsstuk is dat de brieven aan PostNL zijn overhandigd. 1.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt en daardoor het vermoeden van ontvangst is gerechtvaardigd, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. De geadresseerde moet dan feiten stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. 1.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep van 8 juni 2021 voor de hoorzitting van 22 juni 2021 is verzonden. De mededeling van het college dat uit de registratie van de verzenddatum van 9 juni 2021 in het postregistratiesysteem volgt dat de brief op die dag is overhandigd aan Post NL, acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank kan uit de stukken, te weten de schermprint van het postregistratiesysteem, niet afleiden dat de betreffende brief daadwerkelijk aan PostNL is aangeboden. Ten aanzien van de brief van 17 juni 2021 heeft eiser aangegeven deze te hebben ontvangen, maar pas na de hoorzitting. Nu de brief van 17 juni 2021 - die geen oproep voor de hoorzitting is maar wel de datum van de hoorzitting vermeldt - pas enkele dagen voor de hoorzitting is verstuurd, kan deze naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een tijdige oproep voor de hoorzitting. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen deugdelijke oproeping voor de hoorzitting heeft plaatsgevonden. Het college heeft daarmee in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Eiser heeft in beroep namelijk zijn standpunten alsnog kunnen toelichten, zodat hij door deze schending niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht aan eiser dient te vergoeden. 2. Eiser betoogt verder dat hij het niet vindt kunnen dat er bedrijfspanden worden gebouwd zo dicht bij zijn woning. Er is al decennia lang landelijk beleid ontwikkeld voor het opzetten van bedrijventerreinen om de onvermijdelijke overlast van bedrijven in een woonomgeving te stoppen. Volgens eiser valt het niet te rijmen dat landelijk beleid bedrijven in feite dwingt tot een realisatie van een nieuw bedrijfspand op een bedrijventerrein ver buiten de woonomgeving, terwijl hier juist een nieuw bedrijfspand in een woonomgeving zal worden gerealiseerd. Dit zal volgens eiser hoogstwaarschijnlijk tot een toename van overlast leiden. Eiser wijst op de in artikel 6:162, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek neergelegde zorgvuldigheidsnorm die inhoudt dat handelen in strijd met het volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, onrechtmatig is. Verder wijst eiser op het in de mensrechten geformuleerde recht op leven en een ongestoord gezinsleven. Eiser heeft toegelicht dat de woning grotendeels zal verdwijnen achter de metershoge blinde muur van één van de te bouwen bedrijfspanden. 2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet een omgevingsvergunning worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.