← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:6884

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4484 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.C. Kaptein), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) nareis (de aanvraag). Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
  2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2 Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
  3. Eiser heeft op 9 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv nareis. Verweerder heeft de ontvangst hiervan bevestigd op 21 juni
  4. Verweerder moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Verweerder heeft deze beslistermijn met drie maanden verlengd. Eiser heeft verweerder op 26 januari 2023 in gebreke gesteld. Dit is na het verstrijken van de beslistermijn. Ook heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep in gesteld.
  5. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb. 3 Dit staat in artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  6. Het beroep is kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank verweerder op?
  7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.4 In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van wettelijke voorschriften nodig is kan de rechtbank een andere termijn opleggen.5
  8. Verweerder heeft niet verzocht om een langere termijn. Uit het dossier blijkt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de rechtbank een langere termijn moet opleggen. De rechtbank legt verweerder daarom een termijn van twee weken op om te beslissen op de aanvraag van eiser. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak. Welke rechterlijke dwangsom legt de rechtbank verweerder op?
  9. De rechtbank bepaalt in deze zaak met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. Conclusie en gevolgen
  10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat verweerder binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als verweerder dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
  11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart beroep kennelijk gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; 4 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. 5 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. draagt verweerder op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van eiser. bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50; bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van V.M. de Waard, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 april 2023 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.