RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.13640 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser, V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. R.W. Koevoets), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: M. Beker). Procesverloop Verweerder heeft op 23 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 mei 2023 gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 maart 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu ter beoordeling of sinds 13 maart 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
- Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat verweerder heeft nagelaten zijn brief door te zenden aan de Marokkaanse autoriteiten. In deze brief heeft eiser verklaard terug te willen naar Marokko zodra hij uit bewaring is. Verder voert eiser aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aan Marokko ontbreekt, omdat al geruime tijd niet gebleken is dat de Marokkaanse autoriteiten (binnen een redelijke termijn) LP’s verstrekken.
- In het voortgangsrapport staat vermeld dat verweerder op 3 maart 2023 een LP-aanvraag heeft verstuurd aan de Marokkaanse autoriteiten. Daarna is op 15 maart 2023, 6 april 2023 en op 26 april 2023 schriftelijk gerappelleerd. Verder staat in dit voortgangsrapport dat verweerder op 27 maart 2023 en 24 april 2023 vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser. De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie van verweerder niet blijkt dat hij onvoldoende voortvarend handelt. Dat eisers brief (nog) niet aan de Marokkaanse autoriteiten is doorgestuurd, leidt niet tot een andere conclusie. Immers in het voortgangsrapport staat dat de brief eerst met eiser zal worden besproken. Niet is gebleken dat eiser in het vertrekgesprek van 24 april 2023 heeft verzocht om de brief door te zenden.
- Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen LP zullen afgeven voordat de termijn van zes maanden, genoemd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw,is verstreken.
- Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb Den Haag, zp. Middelburg, 14 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
- Laissez-passer.