← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:7797

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.10805 en NL23.10845 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. T. Esen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou). Procesverloop Bij besluit van 9 april 2023 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit (besluit 1) opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (besluit 2) opgelegd, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. el Bahi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser heeft ter zitting gesteld dat zijn naam Mehdi el Bourakkadi is, dat hij van Algerijnse nationaliteit is en dat hij is geboren op [geboortedatum 1]
  2. Over bestreden besluit 1
  3. Eiser heeft in het beroepschrift aangegeven dat hij beroep instelt tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De rechtbank stelt vast dat er geen inreisverbod is opgelegd. Het beroep van eiser wordt door de rechtbank daarom opgevat als enkel gericht te zijn tegen het terugkeerbesluit van 9 april
  4. Land van bestemming
  5. Eiser voert aan dat in het terugkeerbesluit Marokko wordt genoemd als land van bestemming, maar dat hij heeft aangegeven dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft.
  6. De beroepsgrond slaagt niet. In het terugkeerbesluit heeft verweerder Marokko terecht als het land van bestemming genoemd, omdat eiser eerder heeft aangegeven dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Hij is door de Italiaanse autoriteiten op 13 september 2022 namelijk geregistreerd als [eiser] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 te Marokko, met de Marokkaanse nationaliteit. Daarnaast is in het terugkeerbesluit overwogen dat als in het onderzoek naar voren komt dat eiser naar een ander land kan worden uitgezet, een aanvullend terugkeerbesluit zal worden genomen. De gronden van het terugkeerbesluit
  7. In het terugkeerbesluit heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft ter zitting de zware grond onder 3d prijsgegeven.
  8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3a en 3i niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De zware gronden onder 3a en 3i zijn al voldoende om het terugkeerbesluit te dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet. Over bestreden besluit 2 De gronden van de maatregel van bewaring
  9. De maatregel van bewaring heeft dezelfde gronden als het terugkeerbesluit. Voor de betwisting van de gronden en de beoordeling daarvan verwijst de rechtbank daarom naar hetgeen is overwogen onder
  10. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toets
  11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  12. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 april 2023 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.