RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/605889 / HA ZA 21-64 Vonnis van 4 januari 2023 in de zaak van [eiseres] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. W.H.R. baron van Boetzelaer te Heerenveen, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. R.P. de Bruin te Alphen aan den Rijn. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 januari 2021 met producties; - de conclusie van antwoord; - het tussenvonnis van 23 maart 2022 waarin een mondelinge behandeling is bevolen; - de mondelinge behandeling die op 14 september 2022 heeft plaatsgevonden, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt die in het griffiedossier zitten; - de akte overlegging producties van [eiseres] van 28 september 2022; - de antwoordakte overlegging producties van [gedaagde] van 12 oktober 2022. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiseres] is eigenaar van een huis aan de [adres01] in [plaats 1] (hierna: het huis). Het huis bestaat uit een hoofdgebouw met aan de achterzijde een aanbouw. 2.2. [gedaagde] is een onderneming gespecialiseerd in funderingen. 2.3. In 2012 vermoedde [eiseres] een verzakking van het huis. Omdat zij toen het voornemen had om het huis te verkopen, wenste zij duidelijkheid te krijgen over de fundering van het huis. 2.4. Begin 2014 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht om onderzoek te doen naar de fundering van het huis. Vervolgens heeft [gedaagde] in 2014 meerdere onderzoeken naar de fundering uitgevoerd, onder meer met behulp van een constructeur. 2.5. Begin 2015 heeft [gedaagde] twee offertes uitgebracht, een offerte van 13 januari 2015 (hierna: de eerste offerte) en een offerte van 16 januari 2015 (hierna: de tweede offerte). Deze offertes zijn per e-mail aan [eiseres] verstuurd, met een kopie aan de aannemer van [eiseres] , de heer [naam01] (hierna: [naam01] ). 2.6. De eerste offerte zag op funderingsherstelwerkzaamheden aan de achterzijde en de linker voorkant van het huis voor een prijs van € 22.450 exclusief BTW. [gedaagde] heeft [eiseres] geadviseerd de werkzaamheden genoemd in deze offerte direct uit te voeren. 2.7. De tweede offerte zag op funderingsherstelwerkzaamheden aan de rechter voorkant van het huis voor een prijs van € 35.650 exclusief BTW. De werkzaamheden genoemd in deze offerte waren in aanvulling op de werkzaamheden genoemd in de eerste offerte. Deze offerte was bestemd om in het kader van het verkoopproces van het huis aan potentiële kopers te verstrekken. De tweede offerte bepaalt, voor zover relevant, het volgende: " Indien deze werkzaamheden ook uitgevoerd worden is er sprake van een bijna totaalherstel. Alleen de linker zijgevel en de voorgevel zijn dan nog niet over de gehele lengte geherfundeerd. " 2.8. [eiseres] heeft vervolgens opdracht gegeven om de werkzaamheden genoemd in de eerste offerte uit te voeren. [eiseres] heeft [gedaagde] hiervoor in totaal een bedrag van € 25.480,77 betaald, bestaande uit de in de eerste offerte genoemde prijs van € 22.450, vermeerderd met BTW en legeskosten. 2.9. In juni 2015 is [gedaagde] gestart met de funderingsherstelwerkzaamheden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden heeft [eiseres] [gedaagde] gevraagd of de fundering voldoende zou worden hersteld als alleen herstelwerkzaamheden aan de achterzijde en linker voorkant zouden worden uitgevoerd. Namens [gedaagde] heeft de heer [naam02] , werknemer van [gedaagde] , bij e-mail van 2 juli 2015, voor zover relevant, het volgende geantwoord: " De reden waarom wij de linker- en achterzijde herfunderen is dat aan deze zijde ongelijke zettingen / scheuren zijn geconstateerd. De rechter voorzijde is inderdaad verzakt maar omdat aan die zijde geen ongelijke scheurvorming is geconstateerd is er door de constructeur besloten alleen de linker- en achterzijde aan te pakken. " 2.10. In augustus 2015 heeft [gedaagde] de werkzaamheden afgerond. Aansluitend heeft [eiseres] de scheuren die in de buitenzijde van het huis zichtbaar waren laten herstellen. 2.11. In mei 2016 heeft [eiseres] het huis te koop aangeboden. Het huis is echter nooit verkocht. In mei 2018 is het huis uit de verkoop gehaald. 2.12. Vanaf medio 2016 heeft [eiseres] [gedaagde] meerdere keren benaderd omdat zij nieuwe scheuren aan en verdere verzakking van het huis had geconstateerd. [gedaagde] heeft het huis vervolgens drie keer bezocht. Na het derde bezoek heeft [gedaagde] geconcludeerd dat nieuwe herstelwerkzaamheden aan de fundering moesten plaatsvinden. 2.13. [eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens verzocht om de werkzaamheden in de tweede offerte uit te voeren. [gedaagde] heeft daarop gereageerd dat van deze offerte geen gebruik meer kon worden gemaakt, omdat de scheurvorming en verzakking sinds het uitbrengen van de tweede offerte waren verergerd. [gedaagde] heeft vervolgens op 28 september 2018 een nieuwe offerte aan [eiseres] uitgebracht, waarop [eiseres] niet is ingegaan. 2.14. Op 9 oktober 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] per e-mail een brief van 8 oktober 2018 gestuurd waarin zij [gedaagde] in gebreke heeft gesteld, [gedaagde] een termijn van drie weken heeft gegeven om verdere verzakking tegen te gaan en de reeds ontstane schade te herstellen en haar aansprakelijk gesteld voor alle geleden en te lijden schade. 2.15. In oktober 2018 heeft [eiseres] Constructiebureau De Prouw B.V. (hierna: De Prouw) opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar de fundering van het huis. In het kader van het onderzoek door De Prouw heeft Fugro NL Land B.V. (hierna: Fugro) hoogtebouten in het huis aangebracht. In haar eindrapport van 14 mei 2019 heeft De Prouw geadviseerd om een compleet funderingsherstel uit te laten voeren. 2.16. In maart 2019 heeft Bresser Bouw B.V. (hierna: Bresser) een offerte uitgebracht voor werkzaamheden met betrekking tot de volledige herfundering van het huis. Deze offerte is nadien nog gewijzigd. [eiseres] heeft Bresser vervolgens opdracht gegeven om de herfundering uit te voeren. De werkzaamheden zijn in 2020 afgerond. 2.17. In augustus 2019 heeft [eiseres] een verzoek gedaan voor een voorlopig deskundigenbericht, dat door deze rechtbank bij beschikking van 10 oktober 2019 is toegestaan. De rechtbank heeft de heer ir. G.W.N. Jol (hierna: Jol) benoemd tot deskundige. Op 13 december 2019 heeft Jol, in aanwezigheid van (onder meer) [eiseres] en [gedaagde] , een opname ter plaatse gedaan en op 5 februari 2020 heeft Jol zijn voorlopig deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht. 2.18. Tijdens het uitvoeren van het onderzoek heeft Jol een risico ten aanzien van de stabiliteit van het huis ontdekt. Jol heeft zijn zorgen daarover bij e-mail van 18 december 2019 aan partijen geuit. [eiseres] heeft vervolgens bureau Hanselman (hierna: Hanselman) ingeschakeld om de stabiliteit van het huis te beoordelen. 2.19. In het deskundigenbericht (pagina 70-71) heeft Jol de vraag of [gedaagde] het huis slechts gedeeltelijk had mogen herfunderen, voor zover relevant, als volgt beantwoord: " Nee" […] "Het gaat hier over het hoofdgebouw, welke als geheel kantelt en vervormt. Een funderingsherstel moet dan wel integraal als één geheel worden gemaakt. Immers, bij een verandering, versterking, in een klein gedeelte ervan, ontstaan andere stijfheden en andere krachten in de fundering. Daardoor kan de situatie van het niet-herstelde deel ongunstiger worden. En ook zal in de overgang tussen het herstelde gedeelte en niet-herstelde gedeelte zettingsverschil ontstaan waardoor juist lokale schade ontstaat. 1. Om die reden is het herstel van [gedaagde] , linksvoor onder de hoek van het hoofdgebouw, onjuist. […] 2. Aan de achterzijde, rondom de aanbouw, heeft [gedaagde] een funderingsherstel gemaakt. Het ontwerp ervan gaat hoofdzakelijk om de gevels van de aanbouw. Omdat de funderingen van hoofdgebouw en aanbouw gekoppeld zijn door het funderingsmetselwerk, is hier hetzelfde probleem. 3. Rechts van het midden van de aanbouw is ook een dragende muur en dragende fundering aanwezig. Het funderingsherstel betrekt deze muur en fundering niet . De aanbouw is nu voorzien van een funderingsherstel van de gevels links, achter en rechts, maar niet van de binnenmuur in de aanbouw. Ook hierdoor ontstaat zettingsverschil doordat er sprake is van twee verschillende funderingen pal naast elkaar. Door zettingsverschillen ontstaat schade. 4. Het hoofdgebouw is aanzienlijk en onaanvaardbaar (> 1/100 scheefstand) gekanteld. […] Van nog grotere betekenis is de gevolgen van het verwijderen van de stabiliteitsverzorgende achtergevel van hoofdgebouw in 1979. […] Gevelmetselwerk, met fundering, roteert mee met het hoofdgebouw, en gaat stuk. Deze situatie is gevaarlijk […]. Het herkennen van deze situatie is essentieel en noodzakelijk. Dit is echter niet gebeurd. " 2.20. In het deskundigenbericht (pagina 72-73) heeft Jol de vraag of door het partieel funderingsherstel van [gedaagde] schade is ontstaan aan het huis van [eiseres] , voor zover relevant, als volgt beantwoord: " De vraag gaat over het 'ontstaan' van schade. Het is hierbij meer aannemelijk dat al bestaande schade groter geworden is. Maar het is niet uit te sluiten dat er ook nieuwe schade is ontstaan." 2.21. In het deskundigenbericht (pagina 76) heeft Jol de vraag of er een causaal verband is tussen de uitgevoerde herfunderingswerkzaamheden van [gedaagde] en de scheurvorming in het huis, voor zover relevant, als volgt beantwoord: " Op basis van mijn complete analyse ben ik van mening dat de situatie al slecht was en nog slechter geworden is door het herstel van [gedaagde] . […] Dit betekent dat er wel een causaal verband is tussen schade en het werk van [gedaagde] , maar de mate waarin is niet duidelijk te stellen. […] Het voorbereidingswerk van [gedaagde] is onvoldoende geweest en daardoor is niet herkend in welke situatie het gebouw zich bevindt, terwijl dit wel degelijk vast te stellen was. Bij die analyse had naar voren moeten komen welke opties voor herstel er waren, waarna vervolgens zou moeten zijn beoordeeld welke opties geschikt of ongeschikt waren. De optie voor het herstellen van alleen een stukje van de fundering, of in fases, zou waarschijnlijk dan worden geschrapt. De enige goede optie was, m.i. in één keer een nieuwe fundering maken onder het hele gebouw, daarna de lokale kelder. " 2.22. In het deskundigenbericht (pagina 77) heeft Jol de vraag of hij de offerte van Bresser redelijk acht ten opzichte van de vaststelling dat er een herfundering moet plaatsvinden, voor zover relevant, als volgt beantwoord: " Nee […] De huidige woning heeft geen kelder onder de gehele woning, maar onder een gedeelte ervan." 2.23. In het deskundigenbericht (pagina 78) heeft Jol de vraag of hij voor het overige nog op- of aanmerkingen heeft die van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige kwestie, voor zover relevant, als volgt beantwoord: " Uitgaande van een nieuw en integraal herstel, is het werk van [gedaagde] per saldo dan nihil waard […]. " 2.24. De advocaten van partijen hebben de gelegenheid gekregen te reageren op het eerder, op 23 december 2019, in concept verstrekte deskundigenbericht van Jol. De advocaat van [eiseres] heeft onder meer de vraag gesteld of uit de vaststellingen van Jol ten aanzien van de werkzaamheden aan de achterzijde van het huis, rondom de aanbouw, kan worden afgeleid dat het herstel van [gedaagde] volgens Jol onjuist is uitgevoerd. Jol heeft daarop op pagina 84 van het deskundigenbericht, voor zover relevant, als volgt geantwoord: " De conclusie dat het herstelwerk daar dan dus onjuist is, is in dat opzicht correct. " 2.25. De advocaat van [eiseres] heeft verder de vraag gesteld of de vaststelling van Jol dat de dragende muur en de dragende fundering rechts van het midden van de aanbouw niet betrokken is in het funderingsherstel, betekent dat het herstel van [gedaagde] volgens Jol onjuist is geweest. Jol heeft daarop op pagina 85 van het deskundigenbericht, voor zover relevant, als volgt geantwoord: " Vanuit die analyse is het herstelwerk onjuist. " 2.26. De advocaat van [eiseres] heeft verder de vraag gesteld wat Jol heeft bedoeld met zijn opmerking dat " het herkennen van deze situatie essentieel en noodzakelijk [is] " en dat dit " niet [is] gebeurd. ". Jol heeft daarop op pagina 85 van het deskundigenbericht, voor zover relevant, als volgt geantwoord: " Mijn rapport omvat een uitgebreide analyse van het gedrag van de constructie van het gebouw. Naar mijn mening is dit noodzakelijk om een ontwerp te maken dat past bij de situatie. Dit is belangrijk omdat daaruit blijk dat een lokaal herstel niet bijdraagt aan het probleem, en de situatie lokaal zelfs verslechtert. Dergelijke vakkundige kennis van zaken en goede advisering is belangrijk. Het kan bijvoorbeeld leiden tot een standpunt van aannemer, dat een door eigenaar gevraagde technische optie van een lokaal herstel, risicovol is en daarmee niet wordt aangeboden. " 2.27. Ten slotte heeft de advocaat van [eiseres] de vraag gesteld of [gedaagde] de situatie die is ontstaan aan het huis na 1979 had moeten herkennen en of hij hierop het ontwerp en de realisatie van het funderingsherstel had moeten aanpassen. Jol heeft daarop op pagina 85 van het deskundigenbericht als volgt geantwoord: " Uiteraard. " 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert - samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen: tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 112.274,24 aan schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van tekortkoming althans een door de rechtbank te bepalen datum; tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 35.000 aan schade aan de woning wegens tekortkoming in de uitvoering, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding; tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 6.000 in verband met schade wegens kosten herstel tuin, herstel gevel en scheuren en herstel scheuren binnen en verven, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding; tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 5.000 in verband met het herstel van de boeidelen en de ramen, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding; tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 27.386,29 in verband met hogere bouwkosten als gevolg van de tekortkoming door [gedaagde] , althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding; tot betaling van een bedrag van € 18.363,81 wegens schade vanwege door [eiseres] ingeschakelde deskundigen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening; in de proceskosten. 3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de door [eiseres] verstrekte opdracht. [gedaagde] had de fundering van het huis niet enkel gedeeltelijk mogen herstellen. [eiseres] heeft hierdoor schade geleden, bestaande uit onder meer de door haar gemaakte kosten voor volledig funderingsherstel door Bresser, de waardevermindering van het huis als gevolg van de scheefstand, de herstelwerkzaamheden aan onder meer de tuin, de gevel, boeidelen en ramen, de gestegen bouwkosten sinds 2015 en de kosten voor deskundigen. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Bewijskracht deskundigenbericht 4.1. Op grond van artikel 207 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft een voorlopig deskundigenbericht dezelfde bewijskracht als een deskundigenbericht dat is uitgebracht in een bodemprocedure, indien partijen bij de verrichting aanwezig zijn geweest. Uit het deskundigenbericht van Jol blijkt dat beide partijen aanwezig waren bij de opname ter plaatse, en ook overigens in het proces leidend tot het deskundigenbericht zijn gehoord. Het voorlopig deskundigenbericht van Jol heeft daarmee dezelfde bewijskracht als een deskundigenbericht dat is uitgebracht in een bodemprocedure. 4.2. Dat betekent dat de rechtbank een beperkte motiveringsplicht heeft ten aanzien van haar beslissing om de bevindingen van Jol al dan niet te volgen. Wel dient zij bij de beantwoording van de vraag of zij de conclusies waartoe Jol in zijn deskundigenbericht is gekomen in haar beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het deskundigenbericht geformuleerde conclusies af te wijken. De rechtbank zal op specifieke bezwaren van een partij ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (vgl. Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011: BT2921). 4.3. In zijn algemeenheid geldt dat de rechter het oordeel van een door de rechtbank benoemde deskundige niet snel naast zich zal neerleggen, tenzij zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan over de wijze van totstandkoming of de inhoud van het desbetreffende deskundigenbericht. Dat betekent in dit geval dat de rechtbank het deskundigenbericht van Jol tot uitgangspunt zal nemen. Bij de verdere beoordeling geldt ook dat het aan de rechtbank is om op de voet van artikel 6:97 Burgerlijk Wetboek (BW) de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Indien de schade niet (meer) nauwkeurig kan worden vastgesteld wordt deze geschat. Bij het schatten van de schade is de rechtbank niet gebonden aan de (normale) regels van stelplicht en bewijs. Verbintenis 4.4. De vordering van [eiseres] is erop gebaseerd dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis. [eiseres] grondt haar vordering tot schadevergoeding op artikel 6:74 BW. Bij de beantwoording van de vraag of aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan, zal de rechtbank eerst beoordelen welke verbintenis tussen partijen is ontstaan. 4.5. Op grond van de overeenkomst die is ontstaan doordat [eiseres] het aanbod van [gedaagde] uit de eerste offerte heeft aanvaard (hierna: de overeenkomst), heeft [gedaagde] zich jegens [eiseres] verbonden funderingsherstelwerkzaamheden aan de achterzijde en de linker voorkant van het huis uit te voeren. Aan deze overeenkomst lag een advies van [gedaagde] ten grondslag, namelijk om de herfundering in fases te laten uitvoeren, waarbij de werkzaamheden in de overeenkomst de eerste fase zouden betreffen. 4.6. De overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot aanneming van werk, waardoor de artikelen 7:750 e.v. BW van toepassing zijn. Tekortkoming 4.7. Jol heeft zich in het deskundigenbericht uitgelaten over de vraag of [gedaagde] is tekortgeschoten. Jol heeft in dat verband geconcludeerd dat [gedaagde] het huis niet slechts gedeeltelijk had mogen herfunderen, Volgens Jol was de enige goede optie geweest om in één keer een nieuwe fundering te maken onder het hele gebouw. Verder heeft Jol geconcludeerd dat het herstel van [gedaagde] linksvoor, aan de achterzijde rondom de aanbouw en rechts van het midden van de aanbouw onjuist is geweest. Ten slotte heeft Jol geconcludeerd dat het voorbereidingswerk van [gedaagde] onvoldoende is geweest. 4.8. [gedaagde] heeft bezwaren geuit tegen deze bevindingen van Jol, die in de kern op het volgende neerkomen. [gedaagde] leest in het rapport van Jol dat de scheefstand van het huis in het bijzonder is toe te rekenen aan het wegnemen van het metselwerk aan de linkerzijde van het huis en het feit dat bij een verbouwing in 1979 een stabiliteitsverzorgende muur is verwijderd. [eiseres] , althans [naam01] die [eiseres] als aannemer in het proces heeft begeleid, had [gedaagde] hierover vooraf moeten informeren. Op [eiseres] rustte dus een mededelingsplicht. Daarnaast heeft Jol in zijn rapport geen aandacht besteed aan de wijze waarop de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Daarbij is met name van belang dat [eiseres] zich er steeds van bewust was dat een volledige herfundering noodzakelijk was. [eiseres] heeft bewust een deelopdracht aan [gedaagde] verstrekt omdat zij niet de financiële middelen had om een opdracht voor volledige herfundering te verstrekken, althans omdat zij de wens had om het huis in de verkoop te zetten en verdere funderingswerkzaamheden aan de koper over te laten, aldus nog steeds [gedaagde] . 4.9. Ten aanzien van de door [gedaagde] aangevoerde mededelingsplicht van [eiseres] met betrekking tot het verwijderde metselwerk en de stabiliteitsverzorgende muur na de verbouwing in 1979, geldt het volgende. De opdrachtgever, in dit geval [eiseres] , is verantwoordelijk voor het bepalen van de opdracht. Op de aannemer, in dit geval [gedaagde] , rust de verplichting om onderzoek te doen naar de reikwijdte van zijn eigen prestatieplicht en vervolgens, zo nodig, de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kent of redelijkerwijs behoort te kennen (vgl. artikel 7:754 BW). Deze verplichtingen van de aannemer vloeien voort uit de hoofdverplichting om de hem opgedragen werkzaamheden als een zorgvuldig vakman uit te voeren. In het onderhavig geval had van [gedaagde] als zorgvuldig vakman verwacht mogen worden dat zij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.