RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4216 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam], verzoekster, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Borshch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en is ingeschreven in de BRP van de gemeente Sluis. Zij is op 1 mei 2022 Nederland binnengekomen en heeft zich op 10 mei 2022 ingeschreven bij de gemeente Terneuzen. Zij heeft een aantal maanden in Breskens gewoond en gewerkt. Eind juli 2022 is verzoekster naar Schoondijke verhuisd. Tot 1 november 2022 heeft zij daar ook gewerkt. Op 28 oktober 2022 heeft zij bij verweerder kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit. 2. Verweerder heeft bij brief van 28 oktober 2022 (het bestreden besluit) aan verzoekster medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. In deze brief is aangekruist dat verzoekster daarvoor niet in aanmerking komt omdat zij al vóór 27 november 2021 is vertrokken uit Oekraïne en zij voor die datum niet in Nederland verbleef. Verweerder heeft hieraan een handgeschreven toelichting toegevoegd: “Uit de in- en uitreisstempels is gebleken dat u Oekraïne voor de peildatum heeft verlaten. U valt niet onder de Richtlijn en u bent niet ontheemd.”. Verweerder plaatst daarom bij verzoekster geen verblijfssticker in haar paspoort of verstrekt geen O-document als bewijs van verblijf. 3. Ook heeft verweerder aangegeven dat de gemeente zal worden bericht dat verzoekster niet als tijdelijk beschermde wordt aangemerkt, waarbij de gemeente verzoekster nader zal informeren over de consequenties daarvan voor het recht op opvang en voorzieningen. Tot slot heeft verweerder medegedeeld dat verzoeksters inschrijving bij de gemeente een onvolledige asielaanvraag is. Indien zij asiel wil aanvragen zal de IND die aanvraag in behandeling nemen en dat gedurende de behandeling van die aanvraag heeft zij ook recht op opvang bij het COa. Als zij besluit om geen asielaanvraag in te dienen, moet verzoekster Nederland in beginsel verlaten en zij ontvangt dan ook geen opvang en voorzieningen. 4. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot na de beslissing op bezwaar en dat hangende de bezwaarprocedure in het paspoort van verzoekster een verblijfssticker wordt geplaatst. Zij is dan wel per 1 november 2022 gestopt met werken naar aanleiding van het bestreden besluit, maar zij verblijft nog steeds in de gemeentelijke opvang in Schoondijke. Verzoekster meent dat sprake is van spoedeisend belang, nu zij elk moment uit deze opvang gezet kan worden. 5. Verzoekster meent dat het bezwaar kans van slagen heeft. Zij verwijst naar de gronden van het bezwaarschrift en voert verder aan dat zij niet terug kan naar Oekraïne en ook niet naar Polen. Zij is dus wel degelijk ontheemd. Verweerder heeft zelf beleid gemaakt en daarbij 27 november 2021 als peildatum gekozen. Er zullen altijd mensen zijn die daar net buiten vallen en verzoekster stelt dat verweerder daar ruim mee om moet gaan. Verzoekster meent dan ook dat een belangenafweging gemaakt dient te worden. Daarbij dient in haar voordeel te wegen dat zij al maandenlang in Nederland verbleef en pas in oktober hoorde dat zij niet meer mocht werken en niet in deze procedure hoorde. In die periode is vertrouwen opgewerkt bij haar. Ook heeft zij gedurende die maanden kunnen werken en als asielzoeker mag ze aanzienlijk minder werken. Hierbij is van belang dat het Hof zich op 14 januari 2021 heeft uitgesproken over het recht op arbeid van asielzoekers, gecodificeerd in artikel 15, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Indien verzoekster in de reguliere asielprocedure wordt opgenomen mag zij pas na zes maanden werken voor beperkte tijd, maximaal 16 weken. De werkgever heeft dan ook, in tegenstelling tot eerder, een tewerkstellingsvergunning nodig. Dit zijn grote obstakels om te kunnen werken die worden opgeworpen nu haar recht om te werken op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming wordt ontnomen. Verder dient verweerder alle relevante omstandigheden te betrekken en moet ook verzoeksters medische situatie meegewogen worden. Verzoekster heeft medicijnen nodig en via de huisarts in Schoondijke kan zij deze makkelijk verkrijgen. Verzoekster stelt dat dit tezamen maakt dat zij een zwaarwegend belang heeft. 6. Verweerder heeft in het verweerschrift de achtergrond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, de implementatie daarvan in de Nederlandse wetgeving en de uitvoeringspraktijk geschetst. Vervolgens heeft verweerder het standpunt nader uiteengezet dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming. Uit het paspoort van verzoekster blijkt dat zij op 24 november 2021 is vertrokken uit Oekraïne. Verweerder meent dan ook dat verzoekster niet ontheemd is geraakt door de militaire invasie door de Russische strijdkrachten in Oekraïne, zodat zij niet valt onder de in artikel 3.9a van het Vv gedefinieerde doelgroepen en daarom niet valt onder één van de categorieën Oekraïners waarvoor de tijdelijke bescherming is bedoeld. 7. Verweerder vindt verder dat hij niet gehouden is een belangenafweging te maken. Verweerder heeft de doelgroep al aanzienlijk verruimd en het is niet redelijk om van hem te verlangen in zeer evidente zaken waarin duidelijk is dat een vreemdeling niet aan deze verruimde voorwaarden voldoet een uitgebreide belangenafweging te maken. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Griffierecht 8. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van haar beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om een vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door verzoekster overgelegde formulier en de ingebrachte nadere informatie heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen. Spoedeisend belang 9. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit inhoudt dat verzoekster geen aanspraak kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status tijdelijk beschermde. In de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit is niet vermeld of het indienen van bezwaar schorsende werking heeft. In het verweerschrift heeft verweerder duidelijkheid verschaft en medegedeeld dat het indienen van bezwaar geen schorsende werking heeft. Dit betekent dat verzoekster in onzekerheid verkeert of en hoelang zij nog in de gemeentelijke opvang kan verblijven. 11. Voor zover verweerder stelt dat geen sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoekster feitelijk nog terecht kan in reguliere asielopvang, volgt de voorzieningenrechter hem niet. Hierbij is van belang dat verzoekster nog geen ‘volledige’ asielaanvraag heeft ingediend en dus op dit moment ook geen recht op opvang van het COa heeft. Daarmee verkeert verzoekster dus nog steeds in de onzekerheid of en hoe lang zij in de gemeentelijke opvang mag blijven. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang op bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Beoordelingskader 12. De voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 13. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 14. De groepen vreemdelingen die volgens het Uitvoeringsbesluit onder de reikwijdte van de Richtlijn tijdelijke bescherming vallen, zijn de volgende categorieën personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.