RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.26848 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [Naam], verzoeker V-nummer: [Nummer], (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Bij besluit van 29 december 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- Op grond van artikel 8,81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
- De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is, op grond van de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
- Verzoeker heeft op 29 december 2022 een verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening ingediend om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. Op 2 januari 2023 is naar partijen een uitnodiging voor de zitting van 2 februari 2023 verstuurd waarbij zowel het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als het beroep behandeld zal worden. Gemachtigde van verzoeker heeft op 18 januari 2023 een bericht verstuurd met het verzoek om de behandeling van de zaak te verplaatsen. Dit verzoek is ingewilligd en er is voor de behandeling van het beroep een andere zittingsdatum, te weten 1 maart 2023, vastgesteld. Door de inwilliging van het verzoek om de behandeling van de zaak te verplaatsen, is het niet mogelijk het beroep voor de uiterste overdrachtsdatum, te weten 16 februari 2023, op zitting te behandelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook in tegenstelling tot de eerder verstuurde oproep het verzoek om een voorlopige voorziening thans behandelen en bij wijze van ordemaatregel als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat het beroep op korte termijn op zitting zal worden behandeld en de uiterste overdrachtstermijn ten gevolge van deze uitspraak wordt gestuit.
- De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het besluit van 29 december 2022 wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep (zaaknummer NL22.26847) in Nederland mag afwachten; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,- (achthonderdzevenendertig euro). Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Verordening (EU) Nr. 604/2013.