← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:8597

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.15447 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Agayev), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 24 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 31 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser en de tolk, I.D.O. Onwuegbuchu, zijn met behulp van een beeldverbinding verschenen. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Overwegingen

  1. Allereerst voert eiser aan dat de zware gronden 3a, 3b en 3c ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, omdat deze niet het risico met zich brengen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat deze zware gronden feitelijk juist zijn, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Hoewel deze gronden de maatregel van bewaring al kunnen dragen, overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een vriendin heeft in Nederland, zodat ook de lichte gronden 4c en 4d terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
  2. Verder stelt eiser dat hij mogelijk op andere gronden rechtmatig verblijf in Nederland heeft dan wel kan verkrijgen, waardoor de maatregel van bewaring achterwege had moeten blijven. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd en gaat daar daarom aan voorbij.
  3. Eiser voert verder aan dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op 14 februari 2023 is aan eiser een meldplicht opgelegd, waarna hij met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast om het risico op onttrekking van het toezicht te ondervangen.
  4. Tot slot voert eiser aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt vanwege het ontbreken van documenten en er geen vertegenwoordiging van Guyana in Nederland is die vervangende documenten aan eiser kan verstrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Ook als moet worden aangenomen dat het verkrijgen van vervangende (reis)documenten in verband met de door eiser genoemde omstandigheden niet eenvoudig zal zijn, leidt dat niet in dit stadium nog niet tot het oordeel dat eiser niet zal kunnen worden uitgezet.
  5. Nu ook ambtshalve niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep daartegen ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en het proces-verbaal ervan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.