Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-2454 Zaaknummer: C/09/645505 Datum beschikking: 14 juni 2023 Internationale kinderontvoering Beschikking in het kader van het op 6 april 2023 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende te [woonplaats FR] , Frankrijk , advocaat: mr. L. Stam te ‘s-Hertogenbosch. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een geheim adres, advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda. . Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift. Op 21 april 2023 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [naam tolk] als tolk in de Franse taal; de advocaat van de moeder; [medewerker Raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.Th.W. van Ravenstein. De behandeling ter zitting is aangehouden. Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 28 april 2023 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen heeft geresulteerd in een spiegelovereenkomst. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de gewone verblijfplaats van de minderjarige. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek. De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen: het verslag van de bijzondere curator; het verweerschrift; een bericht van 25 mei 2023, met bijlagen, van de moeder; een bericht van 26 mei 2023, met bijlagen, van de vader; een bericht van 29 mei 2023, met bijlagen, van de vader; een bericht van 30 mei 2023, met bijlagen, van de moeder. Op 31 mei 2023 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [naam tolk] als tolk in de Franse taal; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de bijzondere curator; [medewerker Raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Namens de moeder zijn pleitaantekeningen overgelegd. Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Frankrijk . Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de moeder en [minderjarige] de Franse nationaliteit. De vader heeft ook de Franse nationaliteit. Op [datum] 2022 heeft de moeder met [minderjarige] en haar dochter uit een eerdere relatie, [kind 2] , Frankrijk verlaten en is met hen naar Nederland vertrokken. Bij uitspraak van 27 oktober 2022 van de rechtbank te [plaats FR] , Frankrijk is vastgesteld dat de vader en de moeder samen het gezag over [minderjarige] uitoefenen en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het adres van de vader is. Verder is een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de moeder verblijft, tenzij de ouders tot een betere afspraak komen. De vader heeft zich gewend tot de Franse Centrale Autoriteit ( CA ). De Franse CA heeft het verzoek tot teruggeleiding op 3 februari 2023 doorgestuurd aan de Nederlandse CA . Verzoek en verweer De vader heeft verzocht: de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar de vader in Frankrijk , meer in het bijzonder naar de gewone verblijfplaats van de minderjarige aan de ( [code] ) [plaats FR] , aan de [adres FR] , en de moeder te veroordelen het geldige paspoort van [minderjarige] af te geven aan de vader, dan wel te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige] met de benodigde reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat de vader [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Frankrijk , met veroordelen van de moeder om de vader de door hem gemaakte (extra) reiskosten in verband met de overbrenging te vergoeden; te bepalen dat de moeder de kosten als bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet aan de vader zal betalen, zoals nader door hem te specificeren; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de vader. Beoordeling Rechtsmacht Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Frankrijk zijn partij bij het Verdrag. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). De moeder heeft [minderjarige] op [datum] 2022 mee naar Nederland genomen. Niet in geschil is dat de minderjarige [minderjarige] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Frankrijk had. Evenmin in geschil is dat toen het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend. Vast staat ook dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland en dat dit daarom in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Frans recht heeft plaatsgevonden. Dit leidt tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De moeder stelt dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt. Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust. De moeder betoogt dat de vader heeft berust in het verblijf van [minderjarige] bij haar in Nederland . Zij stelt dat dit uit de door haar overgelegde WhatsAppberichten blijkt. Van de procedure in Frankrijk was zij niet op de hoogte. De vader betwist dat er sprake is van berusting. De vader heeft naar aanleiding van het vertrek van de moeder met [minderjarige] naar Nederland een verzoekschrift ingediend bij de Franse rechtbank te [plaats FR] . De moeder heeft in deze procedure geen verweer gevoerd, terwijl zij wel degelijk op de hoogte was van deze procedure. De Franse rechtbank heeft onder meer beslist dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en dat zij niet zonder toestemming van beide ouders het Franse grondgebied mag verlaten. Verder heeft de vader een verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] ingediend bij de Franse autoriteiten in Frankrijk op 27 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.