← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:9303

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL23.1159 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , verzoeker, geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft op 13 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 mei

  1. Verweerder heeft op 27 maart 2023 een inwilligend besluit genomen op de aanvraag. Verzoeker heeft op 3 april 2023 het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Overwegingen
  2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  4. Verzoeker heeft de aanvraag ingediend op 19 mei
  5. Bij brief van 19 oktober 2021 heeft verweerder verzoeker bericht dat de beslistermijn op verzoekers aanvraag wordt verlengd met een jaar. Dit in verband met het besluitmoratorium dat verweerder op 11 augustus 2021 heeft ingesteld voor asielaanvragen van personen uit Afghanistan. Bij besluit van 13 juli 2022, in werking getreden op 22 juli 2022, heeft verweerder het besluitmoratorium beëindigd. Op dat moment is de beslistermijn van zes maanden weer gaan lopen. De staatssecretaris heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2022/22, de beslistermijn van asielaanvragen, waarop op 27 september 2022 nog niet was beslist, met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van haar meervoudige kamer van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn om op de aanvraag van verzoeker te beslissen is verstreken op 19 februari
  6. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 21 december 2022 prematuur is ingediend.
  7. Nu er geen sprake is van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.