RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.17063 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. R.W. Koevoets), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: M. Beker). Procesverloop Verweerder heeft op 23 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 19 juni 2023 gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 mei 2023 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
- Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt nu de bewaring bijna vier maanden voortduurt en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten LP’s verstrekken.
- De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2023, van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. De rechtbank neemt hierbij in acht dat de LP-aanvraag op het moment van sluiting van het onderzoek net drie maanden geleden, op 3 maart 2023, naar de Marokkaanse autoriteiten is verstuurd en verweerder op dit moment afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen LP zullen afgeven voordat de termijn van zes maanden, genoemd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw, is verstreken. Dat de bewaring bijna vier maanden voortduurt, leidt dan ook niet tot een andere conclusie.
- Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb Den Haag, zp. Middelburg, 14 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3445 en 15 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
- Laissez-passer. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968.