Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage Kenmerk gemeente: 5212727001 Registratienummer team straf: 9588234 MB VERZ 21-2334 Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting in de zaak van [betrokkene] B.V. wonende dan wel gevestigd te: [postcode] [vestigingsplaats] [adres], nader ook te noemen: betrokkene.Gemachtigde: Appjection B.V. Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft het bezwaar ongegrond, dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Gelet op artikel 154k Gemeentewet zijn de artikel 6, tweede lid, 10, 12 tot en met 17, 19 tot en met 20d van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften van overeenkomstige toepassing. De zaak is behandeld op de zitting van 28 maart 2024. Op de zitting is de vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verschenen. Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Wel zijn namens betrokkene verschenen zijn gemachtigden, mr. D. van Zon en O. Acar. Overwegingen Aan betrokkene is een boete van € 90,- opgelegd ter zake van overtreding van artikel 5:12, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening, kort gezegd het parkeren van een bromfiets op een wijze die overlast veroorzaakt of kan veroorzaken, welke gedraging zou zijn verricht op 9 mei 2021 in de Anna van Hannoverstraat te ’s-Gravenhage. Bij het besluit van 9 september 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Betrokkene heeft op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft meegedeeld de beslissing waarvan beroep is ingesteld te handhaven. Voor zover nodig zal het standpunt van het college hierna eveneens worden besproken. De kantonrechter heeft vervolgens op grond van de navolgende overwegingen een beslissing genomen, welke beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting. 1.1 Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat het betrokken voertuig, een scooter, werd verhuurd volgens het free floating concept. Via een app op de smartphone is zichtbaar waar scooters (binnen het werkgebied) beschikbaar zijn. Degene die een scooter wil huren kan die scooter reserveren. De verhuur start op het moment dat de huurder bij de scooter is en in de applicatie op "start" drukt. De scooter gaat dan van het slot af en kan door de huurder worden gebruikt. Als de huurder de scooter niet meer wil gebruiken, plaatst hij de scooter (binnen het werkgebied) en drukt hij in de applicatie op "einde". 1.2 Bestuursorganen plegen vermeende overtredingen als hier aan de orde via de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersovertredingen (Wahv) af te handelen. Het college heeft in onderhavige zaak gekozen voor het opleggen van een sanctie op grond van de Gemeentewet en de Algemene plaatselijke verordening. 1.3 In de Gemeentewet is niet de kentekenaansprakelijkheid van artikel 5 van de Wahv opgenomen. Evenmin is daarin een disculpatiemogelijkheid overeenkomstig artikel 8, aanhef en onder b van de Wahv opgenomen. In deze laatste bepaling is kort gezegd opgenomen dat de bestuurlijke sanctie onder voorwaarden wordt vernietigd als aannemelijk wordt gemaakt dat de deelscooter ten tijde van de verweten gedraging werd verhuurd. De boete kan alsdan worden verlegd naar de huurder. Een bestuurlijke boete op grond van de Gemeentewet kan evenwel vanwege het bestraffend karakter enkel aan de overtreder worden opgelegd. 2.1 Partijen zijn verdeeld over de vraag wie als overtreder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Het college stelt dat dit betrokkene (als kentekenhouder) is, terwijl betrokkene stelt dat de overtreder de huurder van de deelscooter is. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt. 2.2 Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Wat betreft de strafrechtelijke criteria voor het daderschap van rechtspersonen wijst de Afdeling op de criteria die zijn geformuleerd in het arrest van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest), zoals verduidelijkt in het arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733. In zijn arrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad overwogen: "In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.