Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/227866-22 Datum uitspraak: 12 juli 2024 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1971 te [geboorteplaats 1] , BRP-adres: [adres] te [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 februari 2024 (pro forma) en 28 juni 2024 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Roosma en van hetgeen dat door de verdachte naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 1 maart 2022 te Moordrecht, gemeente Zuidplas als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, Oost Ringdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - over een (langere) afstand achteruit te rijden en/of - te rijden terwijl het geluidssignaal bij het achteruit rijden gebrekkig functioneerde en/of - ( daarbij) onvoldoende aandacht te hebben en/of te houden op de achter hem gelegen weg en/of - niet tijdig te stoppen voor een zich op de Oost Ringdijk bevindende voetganger, te weten [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] werd gedood; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 1 maart 2022 te Moordrecht, gemeente Zuidplas als bestuurder van een voertuig (bestelauto), daarmee rijdende op de weg, Oost Ringdijk, - over een (langere) afstand achteruit heeft gereden en/of - heeft gereden terwijl het geluidssignaal bij het achteruit rijden gebrekkig functioneerde en/of - ( daarbij) onvoldoende aandacht heeft gehad en/of heeft gehouden op de achter hem gelegen weg en/of - niet tijdig is gestopt voor een zich op de Oost Ringdijk bevindende voetganger, te weten [slachtoffer] , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 3De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het slachtoffer weliswaar heeft aangereden, maar dat hij hem niet heeft gezien tijdens het achteruitrijden van het voertuig dat hij heeft bestuurd. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.4 Bewijsoverwegingen 3.4.1 Het ongeval Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. Op 1 maart 2022 reed de verdachte met zijn bedrijfsauto (een vrachtauto van het merk MAN) in Moordrecht langzaam achteruit de Oost Ringdijk op, richting de Zuidplaspolderweg. Twaalf seconden vóórdat de verdachte de Oost Ringdijk opreed, is het slachtoffer, [slachtoffer] , de weg in dezelfde richting opgelopen. Het doel van de verdachte was om ter hoogte van de Oost Ringdijk 25 een mobiel toilet te reinigen. Achter op de laadvloer van zijn bedrijfsauto bevonden zich twee mobiele toiletten. Onder de laadvloer en boven het kenteken bevond zich een achteruitrijcamera, waarvan de beelden voor de verdachte zichtbaar waren op een beeldscherm op het dashboard. De auto was daarnaast uitgerust met zijspiegels, zwaailampen, flitslampen en een geluidssignaal dat aansloeg wanneer de auto achteruitreed. Ter hoogte van de oprit van perceel 23 op de Oost Ringdijk, is de verdachte (nog steeds achteruitrijdend) met de achterzijde van zijn bedrijfsauto in botsing gekomen met het slachtoffer. Het slachtoffer is per ambulance naar het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda vervoerd, waarna hij naar het UMC te Utrecht is overgeplaatst. Daar werd een meervoudige bekkenbreuk vastgesteld, een breuk van het borstbeen en breuken van meerdere rechtszijdige ribben. Ook was er een bloedophoping en een luchtophoping in de rechterborstholte. Hij ontwikkelde daarna een longontsteking die moeilijk te behandelen bleek. Uiteindelijk is het slachtoffer op 13 maart 2022 als gevolg van het door de aanrijding opgelopen borst- en bekkenletsel overleden. 3.4.2 De verklaringen van de verdachte De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen andere mogelijkheid had dan achteruit de Oost Ringdijk op te rijden, omdat hij alleen op die manier met zijn voertuig in de juiste positie bij het mobiele toilet kon komen. Dit omdat de zuigslang van de reinigingsapparatuur op het voertuig zich aan de passagierskant bevond en hij gezien de afmeting van zijn voertuig niet kon keren op of nabij de locatie van het te reinigen mobiele toilet. De verdachte heeft eveneens verklaard dat hij beroepschauffeur is en al één jaar in de desbetreffende bedrijfsauto reed. Naar eigen zeggen is hij stapvoets achteruit gereden, met beide zijramen open, en heeft hij daarnaast aandachtig afwisselend in zijn zijspiegels gekeken en op het beeldscherm van de achteruitrijcamera op zijn dashboard. Hij heeft via zijn spiegels en de beelden van de achteruitrijcamera volledig zicht gehad op wat zich achter het voertuig bevond, maar heeft desondanks het slachtoffer niet tijdig gezien. Toen de verdachte het slachtoffer uiteindelijk waarnam op zijn beeldscherm was het al te laat. Hij zag het slachtoffer met zijn armen en handen omhoog en in een lage positie. De verdachte vermoedt dat het slachtoffer toen al was gevallen door de botsing met de bedrijfsauto. Volgens de verdachte had de achteruitrijcamera een zichtbereik van 5 à 6 meter en was dat ook het zichtbereik ten tijde van het ongeval. Op pagina 46 van het procesdossier is een foto opgenomen waaruit kan worden afgeleid wat ongeveer de kijkafstand van de achteruitcamera was. Daarop is een persoon te zien die – gezien de lengte van de langs de weg geparkeerde voertuigen – verder weg staat dan op een afstand van 5 à 6 meter tot de camera. Ter terechtzitting onderschreef de verdachte dit desgevraagd. De rechtbank gaat ervan uit dat de kijkafstand niet beperkt is geweest tot 6 meter, maar dat personen en objecten naarmate zij zich op verdere afstand van de camera bevinden op het beeldscherm – niet anders dan bij rechtstreeks zicht – minder goed waarneembaar zijn. 3.4.3 Is er schuld als bedoeld in artikel 6 WVW? Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) te komen, dient de rechtbank vast te stellen dat de verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling. Wil daarvan sprake zijn, dan moet de verdachte zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend hebben gedragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het daarbij om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Er kan niet alleen uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld. De rechtbank overweegt als volgt. De verdachte reed voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden met zijn bedrijfsauto ruim 80 meter achteruit op de Oost Ringdijk. Achteruitrijden is een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en brengt mee dat het overige verkeer voorgaat. Daar komt bij dat de verdachte te maken had met een relatief smalle weg (de breedte van de rijbaan was 3.40 meter; de breedte van de bedrijfsauto bedroeg inclusief spiegels 3.10 meter) en het zicht werd enigszins beperkt door hoge erfafscheidingen. De weersomstandigheden waren minder gunstig. Het was regenachtig. Zeker onder de hiervoor genoemde omstandigheden moest de verdachte bijzonder waakzaam zijn om tijdig de aanwezigheid van andere (zwakkere) weggebruikers te constateren. Juist van een beroepschauffeur als verdachte mocht die bijzondere waakzaamheid in deze situatie, waarin achteruit wordt gereden op een smalle rijbaan, worden verwacht. Nu op basis van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat het slachtoffer zich al enige tijd op de betreffende weg bevond, had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank het slachtoffer (dat zich tijdens de aanrijding midden op de weg bevond) dan ook eerder moeten en kunnen zien. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte bij het achteruitrijden onvoldoende zicht heeft gehouden op de situatie achter zijn auto. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het rijgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden beschouwd. Het verkeersongeval is dus aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten. 3.4.4 Vrijspraak ten aanzien van een onderdeel van de tenlastelegging De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onderdeel “heeft gereden terwijl het geluidssignaal bij het achteruit rijden gebrekkig functioneerde”. Hoewel is gebleken dat het volume van het geluidssignaal bij het achteruitrijden van het voertuig ten tijde van het ongeval kennelijk niet naar behoren was, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen of en in hoeverre dat eraan heeft bijgedragen dat het ongeval heeft plaatsgevonden. 3.4.5 Conclusie De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 1 maart 2022 te Moordrecht, gemeente Zuidplas als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, Oost Ringdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend - over een langere afstand achteruit te rijden en - daarbij onvoldoende aandacht te hebben en te houden op de achter hem gelegen weg en - niet tijdig te stoppen voor een zich op de Oost Ringdijk bevindende voetganger, te weten [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] werd gedood. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van één
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.