RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/6894 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. C. Schravenzande). Inleiding Bij besluit van 25 maart 2022 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen. Bij besluit van 22 september 2022 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2023 op zitting behandeld. Ter zitting is verschenen eiseres, vergezeld door haar echtgenoot [naam 1] en haar vader [naam 2] . De gemachtigde van verweerder was zonder bericht van verhindering afwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat om eiseres de gelegenheid te geven om aanvullende stukken in het geding te brengen. Op 17 oktober 2023 heeft de rechtbank aanvullende stukken van eiseres ontvangen. Op 3 november 2023 heeft de rechtbank de reactie van verweerder ontvangen. Nadat eiseres te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het beroep op 25 juni 2024 wederom op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen eiseres, vergezeld door haar echtgenoot [naam 1] , en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1995 en in 2013 18 jaar geworden. Eiseres heeft op 18 april 2021 een zogenoemde laattijdige aanvraag tot het toekennen van een Wajong-uitkering gedaan. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat er bij haar sprake is van gedragsproblematiek en psychische/psychiatrische problematiek, zijnde wisselende stemmingen, een reactieve hechtenisstoornis en een verstandelijke beperking. Dit is in mei 2010 door kinder- en jeugdpsychiater Van Vliet bevestigd. Volgens eiseres is het evident dat haar aandoeningen en klachten al ruim voor het 18e levensjaar aanwezig waren. 2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen. Op basis van de beoordeling van de verzekeringsarts en de overgelegde informatie kan volgens verweerder niet worden vastgesteld dat eiseres geen arbeidsvermogen heeft. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en de ontvangen informatie onderzocht, ook is eiseres gezien op het spreekuur. In het onderzoeksverslag van 25 maart 2022 noemt de verzekeringsarts de diagnoses depressieve episode, lichte verstandelijke beperking en emotionele instabiele/borderline persoonlijkheid. In verband met leer- en gedragsproblemen heeft eiseres speciaal onderwijs nodig gehad tijdens haar jeugd. Dit hield ze niet vol en vanaf haar 13e levensjaar heeft ze geen onderwijs meer gevolgd. Zij is onder begeleiding geweest voor de beschreven problematiek maar dit stopte rond haar 17e levensjaar. De verzekeringsarts stelt dat er met goede behandeling wel verbetering te verwachten is in de sociale interactie en het stabieler worden van functioneren. Zodoende concludeert de verzekeringsarts dat er op de 18e verjaardag sprake was van beperking van de belastbaarheid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, maar dat eiseres wel ten minste 4 uur op een dag activiteiten kan verrichten en één uur aaneengesloten kan werken. 3. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd. Omdat er geen (nieuwe) medische feiten of omstandigheden zijn aangevoerd ziet de verzekeringsarts in de rapportage van 25 maart 2022 geen aanleiding om af te wijken van het eerdere oordeel. De beperkingen, zoals vastgesteld bij een eerdere aanvraag in 2019, blijven hierdoor aannemelijk en van toepassing. Eiseres heeft arbeidsvermogen en zodoende geen recht op een Wajong-uitkering, aldus verweerder. Standpunten van partijen 4. Eiseres voert in beroep aan dat zij onder druk van haar naasten een korte periode heeft gewerkt. Dit is echter een proefperiode geweest en werken lukte niet. Dat verweerder dit gebruikt om aan te nemen dat eiseres arbeidsvermogen heeft vindt eiseres niet redelijk. Verweerder houdt te weinig rekening met het verleden van eiseres en de beschikbare informatie, zo stelt zij. 5. Verweerder handhaaft in beroep zijn standpunt. Eiseres heeft aanvullende stukken overgelegd uit de periode voor het 18e levensjaar, namelijk 2009 tot en met 2011. De verzekeringsarts b&b stelt in reactie daarop dat de reactieve hechtingsstoornis, de lichte zwakzinnigheid, evenals de gezins- en schoolproblemen die in de stukken worden besproken al bekend waren bij de primaire arts en dat deze zijn meegenomen in de beoordeling. Deze gegevens bevestigen dat er op de 18e verjaardag van eiseres sprake was van beperkingen als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Eiseres heeft ook stukken ingediend van ruim na het 18e levensjaar, namelijk 2021 tot en met 2023. Ook deze informatie was voor verweerder bekend, zo stelt hij. De in beroep nader ingebrachte stukken zijn aldus voor verweerder geen aanleiding geweest het standpunt te herzien, nu de inhoud van die stukken al bekend was, de informatie voornamelijk ziet op het zestiende levensjaar van eiseres en informatie van rond het achtiende levensjaar van eiseres ontbreekt, omdat eiseres toen niet meer in behandeling was, aldus verweerder. Beoordeling door de rechtbank Het juridisch kader 6.1 Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong, is een jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1a en de daarop berustende bepalingen de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder andere ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 6.2 Op grond van artikel 1a:1, tweede lid, Wajong geldt dat de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, beperkingen ondervindt als gevolg van onder andere ziekte of gebrek, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog als jonggehandicapte wordt aangemerkt in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van onder andere ziekte of gebrek ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a. 6.3 Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.