Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/667786 / KG ZA 24-523 Vonnis in kort geding van 19 juli 2024 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. M. de Boorder te Den Haag, tegen: [gedaagde] B.V. te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. R. de Mooij te Den Haag. Partijen worden in het navolgende respectievelijk ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 14 juni 2024; - de namens [eiser] in het geding gebrachte producties 1 tot en met 7; - de brief van mr. De Boorder van 2 juli 2024, met aanvullende producties 8 tot en met 10. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 3 juli 2024. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is tijdens de zitting bepaald op vandaag. 2De feiten Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken gaat de voorzieningenrechter in dit kort geding van de volgende feiten uit. 2.1. Per 1 januari 1998 heeft de rechtsvoorganger van [gedaagde] , de heer [naam 1] , (als verhuurder) de eerste en tweede verdieping van de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) aan [eiser] en de heer [naam 2] (als huurders) verhuurd. Op een geven moment is de huurovereenkomst voor wat betreft de heer [naam 2] geëindigd. [eiser] is in het gehuurde blijven wonen. Vervolgens is [gedaagde] in 2008 eigenaar geworden van het gehuurde en in september 2022 heeft [gedaagde] [eiser] aangeschreven met de mededeling de huur te willen beëindigen vanwege verboden onderhuur en aangebrachte veranderingen op de eerste verdieping. 2.2. [eiser] heeft niet ingestemd met huurbeëindiging en daarom is [gedaagde] een bodemprocedure bij de kantonrechter van deze rechtbank gestart, onder andere tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde. In die procedure heeft [eiser] tegenvorderingen ingesteld. 2.3. Bij tussenvonnis van 21 juni 2023 heeft de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij toestemming heeft gekregen om het gehuurde gedeeltelijk onder te verhuren. In het kader van deze bewijsopdracht is [eiser] op 25 oktober 2023 zelf als getuige gehoord en heeft zijn gemachtigde, mr. M. de Boorder, op diezelfde datum een schriftelijke verklaring ingebracht. Op 17 januari 2024 is de heer [naam 3] als getuige gehoord. 2.4. Op 22 mei 2024 heeft de kantonrechter vonnis gewezen. De kantonrechter heeft, voor zover in dit kort geding relevant, geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij toestemming had voor onderhuur en vastgesteld dat [eiser] op dit punt is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het tekortschieten van [eiser] dermate ernstig dat dit de – door [gedaagde] gevorderde – ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] ontbonden en [eiser] veroordeeld om de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Verder heeft de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voor zover nu relevant is in het vonnis van de kantonrechter als volgt overwogen: “2.4 Dit betekent dat de zaak zich toespitst op de vraag of [eiser] (is geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat hij) toestemming had om de eerste verdieping van het gehuurde onder te verhuren aan een derde, de heer [naam 4] . (…) 2.5 [eiser] heeft op 25 oktober 2023 verklaard dat hij met [naam 1] en [naam 3] had afgesproken dat hij – na het vertrek van (mede)huurder [naam 2] – zelf mocht bepalen wie op de benedenverdieping zou komen wonen. Wel zou hij verantwoordelijk zijn voor de betaling van de volledige huursom. Daar waar [eiser] destijds de helft van de huur aan [naam 2] betaalde (en [naam 2] op zijn beurt de hele huur aan de vader van [naam 1] en [naam 3] ), betaalde [naam 4] aan [eiser] de hele huur. 2.6 [naam 3] heeft op vier verschillende momenten verklaringen afgelegd: twee maal schriftelijk samen met zijn broer [naam 1] , eenmaal schriftelijk, alleen, op 18 oktober 2023, en een vierde en laatste keer op 17 januari 2024, onder ede, in de rechtbank. Op 10 oktober 2022 heeft [naam 3] verklaard dat [eiser] zelf mocht bepalen wie er op de eerste verdieping ging wonen, waarbij [eiser] aansprakelijk werd voor de hele huur (zie overweging 5.6 van het tussenvonnis). Op 14 november 2022 heeft [naam 3] zijn eerdere verklaring ingetrokken en verklaard dat het aan [eiser] niet toegestaan was de woning aan een andere huurder onder te verhuren. Over onderverhuur zijn nooit [van artikel 9.2 van de overeenkomst] afwijkende afspraken gemaakt, aldus [naam 3] in die verklaring (zie overweging 5.7 van het tussenvonnis). Op 18 oktober 2023 heeft [naam 3] verklaard dat [eiser] in ruil voor arbeid en materiaalkosten een medehuurder in huis mocht nemen die hij geschikt vond ‘om de kosten te drukken’. Tijdens het getuigenverhoor van 17 januari 2024 heeft [naam 3] verklaard dat [eiser] het huis zou opknappen en dat hij daarna zelf mocht bekijken of hij een ‘neef, nicht of kennis’ in huis zou nemen. Het huis is verder nooit gesplitst. Over geld verdienen met onderhuur is nooit gesproken, aldus [naam 3] in zijn laatste verklaring. 2.7 [naam 3] heeft aldus vier verschillende verklaringen afgelegd, die elkaar op essentiële punten tegenspreken. Onderhuur zou afwisselend toegestaan zijn, niet toegestaan zijn, toegestaan zijn aan een geschikt persoon ‘om kosten te drukken’, of enkel toegestaan zijn ‘aan een neef, nicht of kennis’. Uit de verklaringen van [naam 3] kan niet op consistente wijze worden afgeleid dat [eiser] toestemming had om de huursom volledig af te wentelen op een derde, die niet afkomstig was uit zijn eigen (familie-)netwerk. Dat voor een dergelijke, meer commerciële, constructie die veel verder gaat dan ‘kosten drukken’ toestemming zou zijn gegeven, kan uit de verklaringen van [naam 3] naar het oordeel van de kantonrechter niet worden geconcludeerd. 2.8 Omdat [naam 3] wisselend heeft verklaard, kan op basis van zijn verklaringen niet worden geoordeeld dat [eiser] is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij in afwijking van artikel 9.2 van de huurovereenkomst mondeling toestemming had voor het onderverhuren van een deel van de woning. 2.9 De getuigenverklaring van [eiser] zelf en de schriftelijke verklaring van mr. De Boorder zijn daarvoor (en in aanvulling daarop) eveneens onvoldoende. De verklaring van [eiser] is onvoldoende objectief; het gaat hier immers om een partijgetuige met belang bij de uitkomst van de procedure. Een verklaring van zo’n getuige kan alleen dienen als aanvulling of ondersteuning van een sterk bewijsmiddel. Zoals onder 2.6-2.7 al overwogen, kwalificeert het relaas van [naam 3] niet als een voldoende solide bewijsmiddel; [naam 3] heeft daarvoor te wisselend verklaard en heeft in elk geval niet (consistent) verklaard dat [eiser] aan personen buiten zijn (familie)netwerk de gehele huursom in rekening mocht brengen, of mogelijk zelfs iets meer dan dat. De schriftelijke verklaring van mr. De Boorder van 25 oktober 2023 is behalve afkomstig van de (per definitie partijdige) gemachtigde/advocaat van [eiser] , bovendien te laat ingediend. Op grond van het tussenvonnis van 21 juni 2023 had dit immers uiterlijk (op de roldatum van) 5 juli 2023 moeten gebeuren. Op grond van deze verklaringen kan daarom niet worden geoordeeld dat onderhuur (op de wijze zoals [eiser] daaraan vormgegeven had: aan een willekeurige derde, tegen betaling van (meer dan) de volledige huursom) toegestaan was. 2.10 Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de schriftelijke huurovereenkomst, die in artikel 9.2 bepaalt dat onderhuur niet toegestaan was. Het feit dat de woning niet was voorzien van een apart naambordje of aparte brievenbus – waardoor van buitenaf niet duidelijk was dat sprake was van onderhuur/separate bewoning – vormt voor de kantonrechter een verdere indicatie dat geen sprake was van toegestane onderhuur. 2.11 Omdat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij toestemming had voor onderhuur, neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat hij op dit punt is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Met [gedaagde] is de kantonrechter vervolgens van oordeel dat [eiser] , door vele jaren onderhuurders in huis te nemen en aan hen (in elk geval vanaf de komst van [naam 4] in 2015) de gehele huurprijs (of zelfs iets meer dan dat) door te berekenen, waardoor hij zelf kosteloos kon wonen, en dit alles niet te melden, is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst op een wijze die dermate ernstig is dat deze de ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. (…)” 2.5. [gedaagde] heeft het vonnis van de kantonrechter op 4 juni 2024 aan [eiser] laten betekenen en de gedwongen ontruiming aangezegd tegen 24 juni 2024. In afwachting van de uitkomst van dit kort geding heeft [gedaagde] de ontruiming uitgesteld. 2.6. [eiser] heeft bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van de kantonrechter van 22 mei 2024 te schorsen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. [eiser] stelt zich primair op het standpunt dat het vonnis van de kantonrechter berust op een kennelijke misslag, omdat de kantonrechter volgens hem niet conform de opgelegde bewijsopdracht heeft geoordeeld en buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Volgens [eiser] is de beoordeling van de verschillende getuigenverklaringen rechtens onjuist en heeft de kantonrechter bij de bewijswaardering ten onrechte waarde gehecht aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.