← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:11527

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.26965 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. T. Esen), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 5 juni 2024 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Verweerder heeft op 3 juli 2024 een kennisgeving ingediend. Deze kennisgeving heeft de rechtbank aangemerkt als een beroep tegen de voortduring van de maatregel. Partijen hebben op 9 juli 2024 ingestemd met schriftelijke afdoening. Overwegingen

  1. Eiser heeft de Cubaanse nationaliteit en is geboren op [datum]
  2. 1.1 Aan eiser is eerder op 28 februari 2024 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Deze maatregel is opgeheven op 4 juni 2024, omdat eiser op die datum, vergezeld van escorts van de Koninklijke Marechaussee, naar Cuba is gevlogen. Bij aankomst in Cuba is eiser de toegang geweigerd door de Cubaanse autoriteiten. Daarop is eiser, met escorts, teruggevlogen naar Nederland, via Madrid, Spanje. Bij aankomst in Nederland op 5 juni 2024 is aan eiser de toegang geweigerd op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6, van de Schengengrenscode en hem is de hiervoor genoemde maatregel opgelegd. Eiser heeft op 7 juni 2024 beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel. Bij uitspraak van deze rechtbank van 3 juli 2024 is het beroep tegen de maatregel en het beroep tegen de toegangsweigering ongegrond verklaard. Deze uitspraak is, blijkens het geautomatiseerde systeem van de rechtbank, digitaal verzonden om 13.40 uur.
  3. De rechtbank stelt vast dat de kennisgeving blijkens het digitale systeem van de rechtbank, is ontvangen op 3 juli 2024, om 10.24 uur. Dat is dus vóórdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het door eiser ingestelde beroep. Omdat ten tijde van de kennisgeving al een door eiser ingesteld beroep aanhangig was, bestond voor verweerder geen verplichting als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw om de rechtbank in kennis te stellen van de oplegging van de maatregel. Deze verplichting bestond ook niet op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, omdat op het moment van het indienen van de kennisgeving het beroep van eiser tegen het opleggen en voortduren van de maatregel nog aanhangig was. Er bestond dan ook geen verplichting om die voortduring ter toetsing voor te leggen, omdat dit nog onderwerp was van beroep. Deze verplichting bestaat ook niet op grond van artikel 96 van de Vw. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onverplicht en onnodig een kennisgeving ingediend. Het hiermee ingestelde beroep is daarom niet-ontvankelijk.
  4. De rechtbank ziet geen aanleiding om het met de kennisgeving ingestelde beroep op te vatten als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van de Vw, alleen al omdat op het moment van instellen ervan nog een eerste beroep aanhangig was, waarop nog geen uitspraak was gedaan.
  5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Verordening (EU) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart
  7. Zaaknummer NL24.
  8. In gevoegde zaken C-704/20, C. En B. en C-39/21, X; ECLI:EU:C:2022:858.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.