RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24441 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels), en de minister voor Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep omvat tevens een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 21 juni 2024 opgeheven. Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 20 juni 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 21 juni 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 24 juni 2024. Overwegingen 1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1995. 1.1. Eiser heeft op 10 november 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 18 april 2024 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is geacht voor de behandeling ervan. Het beroep van eiser tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 30 mei 2024 ongegrond verklaard, onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.Het daartegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 juni 2024 ongegrond verklaard, zodat het besluit van 18 april 2024 in rechte vaststaat. 2. Op 12 juni 2024 is eiser staande gehouden op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw en vervolgens is aan eiser de maatregel opgelegd. 3. Verweerder heeft eiser meegedeeld dat hij voornemens is eiser op 19 juni 2024 over te dragen aan Zwitserland. Eiser heeft hiertegen op 18 juni 2024 bezwaar gemaakt bij verweerder en op diezelfde datum een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juni 2024 is dit verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder wordt verboden eiser over te dragen aan Zwitserland totdat op het bezwaar is beslist. 4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 5. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser op grond van artikel 106 van de Vw een schadevergoeding kan worden toegekend. Daarvoor moet de rechtbank beoordelen of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voor de opheffing ervan op 21 juni 2024 onrechtmatig is geweest. 6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 6.1 De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet inhoudelijk heeft bestreden. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te oordelen dat verweerder deze gronden niet ten grondslag kon leggen aan de conclusie dat ten aanzien van eiser een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. 7. Eiser voert primair aan dat de opgelegde maatregel vanaf 17 juni 2024 onrechtmatig is. Verweerder is uitgegaan van een onjuiste uiterste overdrachtsdatum, namelijk 19 juni 2024. Dit is onjuist, gelet op het feit dat uit de stukken blijkt dat de bij Zwitserland gelegde claim op grond van de Dublinverordening is geaccepteerd op 18 december 2023. Op grond van artikel 29, eerste lid, Dublinverordening moet de overdracht worden geëffectueerd uiterlijk binnen een termijn van 6 maanden na aanvaarding van de claim, dus 18 juni 2024. Verweerder had op 17 juni 2024 moeten weten dat tijdige overdracht niet kon lukken. 7.1 Eiser voert subsidiair aan dat de vrijheidsbeneming in ieder geval met ingang van 19 juni 2024 als onrechtmatig moet worden gezien, nu de voorzieningenrechter op deze datum de uitvoering van de overdracht heeft verboden. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat door de getroffen voorlopige voorziening de overdacht is opgeschort, wordt gewezen op de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 30 maart 2023. Met name de overwegingen 68 en 69 van dit arrest zijn hier van belang. Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat bij geschillen (en aangewende rechtsmiddelen) omtrent de feitelijke uitzetting en de opschorting daarvan, nadat het overdrachtsbesluit eerder onherroepelijk is vastgesteld, deze niet kunnen leiden tot opschorting of stuiting van de overdrachtstermijn. Deze zienswijze is bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 5 juli 2023.Verwezen wordt met name naar de overwegingen 4.4.1 tot 4.5. De conclusie is dan ook dat sinds 19 juni 2024 geen rechtsgrond meer bestond om eiser nog langer zijn vrijheid te ontnemen. Er is geen grond om uit te gaan van opschortende werking vanwege de getroffen voorziening. 8. Hoewel de vraag of de uiterste termijn voor overdracht is verstreken, dan wel geschorst door de uitspraak van de voorzieningenrechter, in beginsel niet voorligt bij de toetsing van de maatregel van bewaring, ziet de bewaringsrechter zich wel genoodzaakt de vraag te beantwoorden of op enig moment geen concreet aanknopingspunt meer bestond voor overdracht. Dan wordt immers niet langer aan de voorwaarden voor de maatregel voldaan. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2019. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 59a, eerste lid, van de Vw de wettelijke grondslag bevat voor bewaring van vreemdelingen van wie onmiddellijk of pas later duidelijk is dat de Dublinverordening op hen van toepassing is. 8.1 In artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening is bepaald dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. In het derde lid is bepaald dat de lidstaten in hun nationale recht voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen dat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.