Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2024:11833
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/420 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2024 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. N.C. Blomjous), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: M.D. Barendrecht).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag voor een Nederlands paspoort.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 december 2022 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 30 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via videoverbinding), de gemachtigde van eiser, B. Ghaly als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Wat vindt eiser in beroep?
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
Eisers beroepsgrond dat verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege niet mag intreden als gevolg van een eenzijdig handelen of nalaten van één van zijn gezaghebbende ouders, slaagt niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het ouderlijk gezag in eisers geval niet van belang is. Het nalaten van eisers vader om vanuit Egypte actie te ondernemen om de Nederlandse nationaliteit te behouden, is geen handeling die door eisers vader is uitgevoerd in het kader van zijn ouderlijk gezag. Eisers vader heeft hiermee geen handeling uitgevoerd namens eiser. Het ouderlijk gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen.
6.2.
In het kader van de belangen van het kind heeft verweerder erop mogen wijzen dat aan het IVRK niet het recht op het verkrijgen of behouden van een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend. Voor zover eiser zich op de zitting nog heeft beroepen op artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, overweegt de rechtbank dat de vraag of nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten beantwoord dient te worden in het kader van de evenredigheidstoetsing. Eiser moet de weg van een optieverklaring volgen als hij een beroep wil doen op deze Unierechtelijke evenredigheidstoets.
Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 15, eerste lid, onder c van de RWN.
Zie artikel 16, eerste lid, onder d van de RWN.
Zie artikel 1:245, vierde lid, van het BW.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 10 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6536, r.o. 5.4.
Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 4 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11394, r.o. 4.8.