RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL23.34863 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. C.E. van Diepen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Inleiding In het primaire besluit van 28 juli 2023 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (richtlijn 2001/55 EG). Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In afwachting van dit bezwaar heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 januari 2024 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Shaljan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de voorzieningenrechter Primaire besluit 1. Verzoeker heeft per 29 juli 2022 een asielaanvraag ingediend, die is opgevat als aanvraag om in Nederland te verblijven op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB). 2. In het primaire besluit van 28 juli 2023 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de RTB. In deze brief is aangekruist dat verzoeker de Oekraïense nationaliteit heeft maar dat hij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming omdat verzoeker al vóór 27 november 2021 is vertrokken uit Oekraïne en hij voor die datum niet in Nederland verbleef. Verzoeker is ook geen gezinslid van een persoon die recht heeft op tijdelijke bescherming. Verweerder heeft hierbij een toelichting gegeven: “Betrokkene heeft verklaard uit Oekraïne te zijn vertrokken op 25-10-2021 en is sindsdien niet meer teruggekeerd. Dit is voor de peildatum. De stempels in het paspoort bevestigen dit. De betrokkene is niet ontheemd geraakt door het conflict en valt niet onder de richtlijn.” In het primaire besluit is verder onder het kopje “U kunt geen gebruik maken van de rechten die horen bij de richtlijn” vermeld dat als verzoeker op dit moment opvang en voorzieningen krijgt van de gemeente, de IND de gemeente laat weten dat verzoeker niet onder de RTB valt en de gemeente verzoeker meer informatie geeft over de gevolgen voor het recht op opvang. Verder heeft verweerder medegedeeld dat zijn inschrijving bij de gemeente een onvolledige asielaanvraag is en dat, indien verzoeker asiel wil aanvragen, hij naar het aanmeldcentrum moet gaan om zijn asielprocedure te doorlopen. De IND verwacht dat hij zich binnen twee weken meldt en hij heeft gedurende de behandeling van die aanvraag ook recht op opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Als verzoeker Nederland wil verlaten, moet hij een verklaring naar de IND sturen waarmee hij zijn asielaanvraag intrekt. Hij krijgt dan geen opvang en moet uit Nederland vertrekken. Tot slot heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat hij volgens de wet nog steeds in Nederland mag verblijven als hij de asielprocedure doorloopt, wat volgt uit artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en dat het bestreden besluit daarom geen terugkeerbesluit is. Beoordeling 3. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2023 op te schorten en verzoeker toe te staan in de gemeentelijke opvang te verblijven en zijn werk voort te zetten en hem te behandelen als ware hij in het bezit van een verblijfssticker of 0-document. Het spoedeisend belang 4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit inhoudt dat verzoeker geen aanspraak kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status tijdelijk beschermde. In de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit is vermeld dat het indienen van bezwaar geen schorsende werking heeft. Dit betekent dat verzoeker in onzekerheid verkeert of en hoe lang hij nog in de gemeentelijke opvang kan verblijven en of hij toegang krijgt tot de arbeidsmarkt. 6. Verzoeker heeft in deze procedure inzichtelijk gemaakt dat hij een concreet aanbod heeft gekregen voor een baan. Verder heeft hij aannemelijk gemaakt dat er een verandering is gekomen in de gedoogsituatie bij de gemeentelijke opvang. In het dossier bevindt zich een e-mail van een medewerker van de gemeentelijke opvang van 10 november 2023 waarin aangegeven wordt dat enkel nog gedurende de procedure van een voorlopige voorziening het verblijf wordt toegestaan. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat de IND de gemeente kennelijk al heeft geïnformeerd dat verzoeker niet in de gemeentelijke opvang mag blijven omdat hij geen recht heeft op verblijf op grond van de RTB. Enkel de procedure tot een voorlopige voorziening weerhoudt de gemeente ervan om verzoeker uit de opvang te zetten. Dit levert voldoende spoedeisendheid op. Dat verzoeker zich volgens verweerder in Ter Apel kan melden voor opvang door het COa en dat hij dan in de reguliere procedure zou worden opgenomen, laat onverlet dat verzoeker op dit moment wordt geconfronteerd met de voorgenomen beëindiging van de gemeentelijke opvang die verzoeker op dit moment ontvangt en die verzoeker gecontinueerd wenst te zien. Inhoudelijk Standpunt verzoeker 7. Verzoeker voert aan dat hij op 25 oktober 2021 van Oekraïne naar Polen is gereisd op basis van een zogeheten ‘D-visum’ afgegeven voor Polen, dat geldig was tot 23 februari 2022. In april 2022 is hij van Polen naar Nederland gereisd. Verzoeker heeft aanvankelijk tijdelijke bescherming gekregen. Maar dit is met het primaire besluit beëindigd. In de eerste plaats stelt verzoeker zich op het standpunt dat, door aanvankelijk aan te geven dat hij recht had op verblijf op grond van de RTB, de redelijke verwachting is gewekt dat verzoeker aanspraak maakt op tijdelijke bescherming. Hierbij wijst hij onder meer op de brief van 8 februari 2023. Verweerder handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel door een jaar na het verstrekken van de sticker ineens tot een andere conclusie te komen. Het bestreden besluit is verder zeer summier gemotiveerd. De wijze van motiveren van deze besluiten is in strijd met de motiveringsplicht en onvoldoende zorgvuldig. Verweerder heeft voorafgaand aan de besluitvorming onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en de af te wegen belangen. Een kort gesprek aan een balie is daartoe ontoereikend en overigens ook geen vervulling van de plicht tot horen op grond van artikel 41 van het Handvest Grondrechten van EU. Het besluit is verder in strijd met het -Unierechtelijk- evenredigheidsbeginsel. Voornoemd evenredigheidsbeginsel vereist dat elk handelen noodzakelijk en geschikt is voor het te bereiken doel, en evenwichtig in het licht van de concrete omstandigheden van het geval is. Een beoordeling van de evenredigheid van het bestreden besluit is niet gemaakt. Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 februari 2022. Verzoeker vraagt zich verder af of de peildatum 27 november 2021 voldoende recht doet aan de oproep in overweging 14 van de preambule van het Uitvoeringsbesluit van de Raad. De uitsluiting van Oekraïense burgers die kort voor 27 november 2021 zijn vertrokken leidt in geval van verzoeker tot onevenredigheid. Immers, als hij ongeveer vier weken later uit Oekraïne was vertrokken, zou hij na de peildatum zijn uitgereisd en wel onder de bescherming vallen. Verzoeker wijst hierbij op een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank die ook aangeeft dat niet valt uit te sluiten dat de reikwijdte van de bescherming uitgebreider wordt. Verzoeker heeft geen rechtmatig verblijf meer in Polen. Het werkvisum is niet meer geldig. Hij kan niet terug en van hem kan ook niet worden gevergd dat hij terugkeert naar Oekraïne. Verzoeker wijst hierbij op de operationele richtsnoeren van de Europese Commissie van 21 maart 2022 waaruit blijkt dat de commissie stelt dat lidstaten baat zouden hebben bij het verlenen van tijdelijke bescherming aan een ruimere groep personen vanwege de eenvoud van de procedure, hetgeen ook een risico op overbelasting van het asielkader beperkt. Verzoeker voert aan dat uitsluiting onevenredig is. Te meer nu er in Nederland juist alle reden is om het asielsysteem te ontzien. De eis van een reguliere asielaanvraag is niet redelijk gelet op de huidige problemen in Ter Apel. Het besluit is dus in strijd met de doelstelling van de RTB. Onduidelijk is bovendien welk algemeen belang er bestaat bij het ontnemen van de tijdelijke bescherming. Beoordeling voorzieningenrechter 8. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 9. Op grond van de RTB kan de Raad bij een massale toestroom van ontheemden een besluit aannemen, waarin wordt bepaald dat bepaalde categorieën ontheemden in de lidstaten tijdelijke bescherming krijgen krachtens de Richtlijn. In het geval van de oorlog in Oekraïne is zo’n besluit aangenomen. 10. De groepen vreemdelingen die op grond van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit EU 2022/382 (Uitvoeringsbesluit) onder de reikwijdte van de RTB vallen, zijn de volgende categorieën personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon: a. Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven; b. staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten; c. gezinsleden van de in punten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.