REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/5592 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2024 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. I. Kassino), tegen de burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. E.P. Alonso). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder om [handelsnaam] in het perceel [adres] te [plaats] (de horeca-inrichting) te sluiten voor een periode van drie maanden. 1.
- Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 5 juni 2024 (het - primaire - besluit) een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de horeca-inrichting wordt gesloten voor de duur van drie maanden, eindigend op 31 augustus 2024 om 23:00 uur. In deze periode is begrepen dat verzoeker de horeca-inrichting per 31 mei 2024 23:00 uur vrijwillig gesloten heeft gehouden. 1.
- Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.
- Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld van [naam 1] en [naam 2] , de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek. 1.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage genoegzaam blijkt dat de explosie was gericht op de horeca-inrichting. Het politieonderzoek is nog gaande en verweerder heeft ook op zitting aangegeven dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van vandalisme of dat de explosie was gericht op de buren. De politie gaat er nog steeds van uit dat de aanval was gericht op de horeca-inrichting en zegt dat de kans op herhaling nog steeds groot is. Daarom moet worden vastgesteld dat de openbare orde en de veiligheid op dit moment is gediend met de sluiting. Dat er niet meer informatie is uit het strafrechtelijk onderzoek, kan hier niet aan afdoen. De sluiting voelt waarschijnlijk als een straf, maar volgens vaste rechtspraak is het geen punitieve sanctie. De voorzieningenrechter ziet dit hier niet anders. Persoonlijke verwijtbaarheid van verzoeker is voorts niet nodig voor een sluiting. Verweerder was, wat er ook zij van de explosie bij de andere inrichting en de modus operandi, bevoegd om tot de sluiting over te gaan en heeft dit noodzakelijk en evenwichtig mogen achten. Het is duidelijk dat de sluiting veel gevolgen heeft voor verzoeker, want er zijn geen inkomsten van deze horeca-inrichting en de kosten lopen door. Maar het belang van bescherming van de openbare orde en de veiligheid weegt op dit moment zwaarder dan het belang van verzoeker. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven bereid te zijn om een flexibele camera of een beveiliger voor de nachtelijke uren te regelen. De voorzieningenrechter overweegt dat, nu er nog geen concreet plan voorligt, nog niet kan worden gezegd dat de kans op herhaling of het gevaar voor de openbare orde en veiligheid (daarmee) minder is. Als verzoeker een concreet plan hiervoor bij verweerder indient, dan is verweerder bereid om mee te denken en mogelijk kan dit leiden tot een andere uitkomst.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open Artikel 174, eerste en derde lid, van de Gemeentewet, artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV) en het Handhavingsbeleid voor horeca en alcoholverstrekkers (het beleid) Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2614), r.o. 11.2.