Rechtbank Den HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-3999 Zaaknummer: C/09/667431 Datum beschikking: 15 augustus 2024 Internationale kinderontvoering Beschikking in het kader van het op 6 juni 2024 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende te Portugal, feitelijk verblijvende te [plaats] , België, advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ), advocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; een F9-formulier van 28 juni 2024, met bijlagen, van de vader; het verslag van de bijzondere curator van 11 juli 2024; een F9-formulier van 29 juli 2024, met bijlagen, van de vader; een F9-formulier van 5 augustus 2024, met bijlagen, van de vader; een F9-formulier van 5 augustus 2024, met bijlagen, van de moeder. Op 14 juni 2024 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. A.L. Weterings die de zaak ter zitting waarnam voor mr. J.H. Weermeijer-Patist, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. C.L. Strop. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden. Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Op 24 juni 2024 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat één van de ouders heeft aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 juni 2024 is mr. drs. A.M. Beijersbergen-Van Bosveld Heinsius benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . De minderjarigen zijn ook in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechtbank kenbaar te maken, maar hebben hiervan geen gebruik gemaakt. Op 6 augustus 2024 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de bijzondere curator en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoek en verweer De vader heeft verzocht: de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] te bevelen, althans vóór of uiterlijk op 1 augustus 2024, naar Portugal, althans de terugkeer op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Portugal, meer specifiek (…), althans de staat waar de gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel indien de moeder dit nalaat, te bevelen dat de moeder de minderjarigen op eerste verzoek dient af te geven aan de vader met de benodigde geldige reisdocumenten, zodat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Portugal; voor zover de vader de teruggeleiding van de minderjarigen niet kan verzoeken, een bevel tot terugverhuizing van de minderjarigen en zo nodig de moeder naar Portugal te geven; voor zover rechtens vereist, dat de minderjarigen zo nodig met behulp van de sterke arm der wet, althans met medewerking van het Openbaar Ministerie zullen worden teruggeleid naar Portugal; met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Feiten - De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben samengeleefd. - Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 2] , [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [plaats] (België), en [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 te [geboorteplaats 1] . - Uit de moeder is op [geboortedag 4] 2019 te [geboorteplaats 3] (Roemenië) de minderjarige [de minderjarige 4] geboren. Tussen partijen staat vast dat de vader de vader is van [de minderjarige 4] . - [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] zijn door de vader erkend. - Op 6 juni 2023 heeft de moeder met de kinderen de woning van partijen in Portugal verlaten en is op of rond 22 juni 2023 met de kinderen naar Nederland vertrokken. - De vader, de moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. - De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit. Beoordeling Rechtsmacht Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Portugal zijn partij bij het Verdrag. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van de kinderen in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Gewone verblijfplaats Tussen partijen staat ter discussie waar de kinderen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats hadden. De vader stelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Portugal was en voert daartoe het volgende aan. De kinderen hebben van oktober 2021 tot eind juni 2023 met hun ouders in Portugal gewoond. De kinderen stonden in Portugal ingeschreven. Zij gingen daar naar school en hadden daar hun vrienden en sociale activiteiten, zodat het centrum van hun bestaan was gelegen in Portugal. Na ruim anderhalf jaar in Portugal te hebben gewoond, zijn de kinderen door de moeder meegenomen naar Nederland, zonder medeweten of toestemming van de vader. De moeder stelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet in Portugal is gelegen, maar in Nederland. De moeder voert hiertoe aan dat het verblijf in Portugal tijdelijk was. De ouders waren niet van plan zich blijvend in Portugal te vestigen, net als dat zij dat ook niet van plan waren in de voorgaande landen waar zij tijdelijk hebben verbleven. De kinderen gingen in Portugal niet naar een kinderdagverblijf of school. De kinderen spreken geen Portugees en namen niet deel aan sociale activiteiten. De moeder stelt dat zij regelmatig met de kinderen naar Nederland ging om haar ouders te bezoeken. Ook gingen de kinderen in Nederland naar de huisarts en de tandarts. Verder hebben de kinderen de Nederlandse nationaliteit en spreken zij, naast een beetje Engels, uitsluitend Nederlands. De moeder stelt daarom dat het zwaartepunt van het bestaan van de kinderen in Nederland is gelegen en dat de kinderen met Nederland de nauwste band hebben. De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Het gaat, samengevat, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste binding heeft. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, zijn in het bijzonder van belang omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmaat, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de leeftijd, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Daarbij geldt in het bijzonder dat de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving is, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn. Verder kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen een aanwijzing zijn voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Binnen dit kader moet de rechtbank aan de hand van de concrete omstandigheden van de kinderen en hun ouders beoordelen waar de gewone verblijfplaats van de kinderen was op 22 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.