Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 24-2630 (I) / FA RK 24-3515 (II) / FA RK 24-3516 (art. 223 Rv) Zaaknummers: C/09/664512 (I) / C/09/666543 (II) / C/09/666545 (art. 223 Rv) Datum beschikking: 28 juni 2024 Gezagsuitoefening Beschikking op de op 10 april 2024 en 20 mei 2024 ingekomen verzoeken van: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M. Erkens te Wateringen. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als informant wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna: de gecertificeerde instelling. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift (I) namens de vader, ingekomen op 10 april 2024; het verzoekschrift (II en art. 223 Rv) namens de vader, ingekomen op 20 mei 2024; de brief van 29 mei 2024, met bijlagen, namens de vader. Op 31 mei 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder en [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. Er heeft zich in deze procedure geen advocaat voor de moeder gesteld. Vlak voor de zitting heeft de moeder verzocht om aanhouding van de zaak, maar dit verzoek is door de rechtbank, conform het protocol dat wordt gehanteerd voor aanhoudingsverzoeken, afgewezen. De moeder heeft vervolgens nog stukken opgestuurd, maar de rechtbank heeft van die stukken, gelet op de laattijdigheid daarvan, geen kennis genomen. Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] . - De ouders oefenen, volgens een aantekening in het gezagsregister van 16 november 2020, het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit. - Bij beschikking van deze rechtbank van 21 september 2021 is – voor zover hier van belang – : bepaald dat [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder; het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag afgewezen. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 november 2021 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. Deze maatregel is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van 10 augustus 2023 voor de duur van 15 augustus 2023 tot 15 november 2023. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juni 2023 is – voor zover hier van belang – : bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn: - om de week: in de even weken, waarbij het wisselmoment is op vrijdag om 17.30 uur vanuit de opvang/BSO; - tijdens schoolvakanties (met uitzondering van de zomervakantie) en feestdagen, waarbij geldt dat de ouders deze in onderling overleg bij helfte zullen verdelen; - tijdens de zomervakantie: maximaal 2 weken aaneengesloten. De resterende twee weken van de zomervakantie zullen door partijen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld; waarbij geldt dat de ouder waar [de minderjarige] gaat verblijven haar ophaalt bij de kinderopvang/BSO; - het verzoek van de vader om te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem heeft afgewezen. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2023 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 15 december 2023 tot 15 december 2024. De gecertificeerde instelling heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de rechtbank. Bij vonnis van 14 maart 2024 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank is de moeder veroordeeld tot het nakomen van de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 23 juni 2023 van deze rechtbank, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor elke keer, dag of gedeelte van een dag dat de moeder de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-. Verzoek De vader verzoekt: in zaak I (zaaknummer C/09/664512): in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW): aan de vader vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de moeder vervangt, om [de minderjarige] in te schrijven op de Protestants-Christelijke basisschool [basisschool] te [plaats 1] ; de beschikking van 21 september 2021 te wijzigen en te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vader; de zorgregeling uit de beschikking van 23 juni 2023 te wijzigen, in die zin dat [de minderjarige] bij de moeder verblijft: eens in de twee weken van vrijdag uit school tot en met maandagochtend naar school; de helft van de vakanties, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen, en als de ouders er niet in overleg uitkomen dat [de minderjarige] bij een vakantie van langer dan een week de eerste helft van de vakantie bij de vader verblijft, en bij een vakantie van een week aansluitend op het weekend van de moeder; te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt aan de vader van € 500,- per dag(deel) dat zij de zorgregeling niet nakomt; te bepalen dat aan de moeder voor iedere keer dat ze de zorgregeling niet naleeft telkens voor de duur van ten hoogste 24 uur lijfsdwang kan worden opgelegd met dien verstande dat de lijfsdwang niet vaker dan 20 keer ten uitvoer wordt gelegd en te bepalen dat de kosten van de lijfsdwang voor rekening komen van de moeder; te bepalen ex artikel 812 lid 2 Rv dat de vader de sterke arm kan inschakelen om de zorgregeling na te komen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. in zaak II (zaaknummer C/09/666543): het gezamenlijk ouderlijk gezag te beëindigen en de vader alleen met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. bij wijze van voorlopige voorziening (zaaknummer C/09/666545): het ouderlijk gezag van de moeder te schorsen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken omtrent het verloop van de zorgregeling. Kort na de geboorte van [de minderjarige] is de relatie tussen de ouders verbroken. Vervolgens zijn de ouders in een hevige onderlinge strijd verwikkeld geraakt waarbij zij elkaar over en weer verwijten maken. Onderdeel van deze strijd is dat de moeder [de minderjarige] in periodes weghoudt bij de vader. Beide ouders hebben zorgen over de thuissituatie van de ander geuit bij hulpverleningsinstanties, maar deze zorgen zijn niet bevestigd. Op 15 november 2021 is [de minderjarige] voor het eerst onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. Bij beschikking van 23 juni 2022 van deze rechtbank is een zorgregeling vastgesteld, waarin gefaseerd werd toegewerkt naar co-ouderschap. De moeder heeft zich vervolgens niet aan deze regeling gehouden en [de minderjarige] bij zich gehouden, omdat zij het idee had dat [de minderjarige] niet veilig was bij de vader. De gecertificeerde instelling heeft de moeder op 22 augustus 2022 een schriftelijke aanwijzing gegeven, ertoe strekkende dat de moeder zich direct aan de door de rechtbank opgelegde zorgregeling voor [de minderjarige] moest houden. Deze schriftelijke aanwijzing is bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 7 oktober 2022 bekrachtigd, waarbij de moeder een dwangsom is opgelegd van € 75,- voor iedere keer dat zij de schriftelijke aanwijzing niet nakomt, met een maximum van € 1.050,-. Daarna is de moeder op verschillende momenten de zorgregeling niet nagekomen, maar het is de rechtbank niet bekend of de gecertificeerde instelling de verbeurde dwangsommen heeft geïnd. Vervolgens is de ondertoezichtstelling verlengd en is de hiervoor genoemde beschikking van 23 juni 2023 gewezen, waarin de zorgregeling is gewijzigd. De gecertificeerde instelling heeft in november 2023 de ondertoezichtstelling niet willen verlengen, omdat zij van mening was dat er geen taak meer voor haar was gelegd. Uit de beschikking van 15 december 2023, waarin er op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming door de meervoudige kamer van deze rechtbank een nieuwe ondertoezichtstelling is uitgesproken voor de duur van één jaar, volgt dat het niet is gelukt om een ouderschapsbemiddelingstraject op te starten. Door Jeugdformaat is aangegeven dat de ouders eerst individuele hulpverlening moesten starten, maar dat deden de ouders niet. Volgens de gecertificeerde instelling waren alle juridische wegen doorlopen om een verandering aan te brengen in de situatie en waren er geen mogelijkheden meer om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. De Raad zag wel nog een bemiddelende rol voor de gecertificeerde instelling weggelegd en de mogelijkheid van het traject Parallel Solo Ouderschap. De rechtbank heeft daarop de ondertoezichtstelling uitgesproken. De gecertificeerde instelling is vervolgens in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. De behandeling van dit hoger beroep heeft plaatsgevonden op 29 mei 2024. In maart 2024 is op verzoek van vader een kort geding behandeld, omdat de moeder na de beschikking van 23 juni 2023 de zorgregeling nog steeds niet altijd nakwam. De moeder is toen veroordeeld tot het nakomen van de zorgregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarna is de moeder meerdere malen de zorgregeling niet nagekomen, waarbij ze de verbeurde dwangsommen aan de vader heeft betaald. De moeder blijft als reden voor het bij zich houden van [de minderjarige] geven dat zij niet veilig zou zijn bij de vader en doodziek van hem zou terugkomen. Daarnaast beschuldigt de moeder de vader inmiddels ook van seksueel misbruik, wat door de vader wordt ontkend. In verband met deze beschuldigingen werd [de minderjarige] na een verwijzing door de huisarts op 29 maart 2024 en 5 april 2024 onderzocht in het HagaZiekenhuis. Deze onderzoeken vormden voor de betrokken arts aanleiding om op 13 mei 2024 een melding te doen bij Veilig Thuis. In deze melding is te lezen dat er geen afwijkingen zijn te vinden bij lichamelijk onderzoek (anders dan hartgeruis, waarvoor een verwijzing naar de kindercardioloog is gevolgd). Uit een brief van 23 april 2024 van Veilig Thuis is af te leiden dat Veilig Thuis de zorgen niet oppakt zolang er een ondertoezichtstelling loopt. De uitkomst van het hoger beroep tegen de uitgesproken ondertoezichtstelling is de rechtbank niet bekend. Sinds februari 2024 heeft de vader [de minderjarige] slechts een paar keer kunnen ophalen voor zijn zorgweek, op sommige momenten alleen na tussenkomst van de politie. Halverwege mei 2024 heeft de vader [de minderjarige] voor het laatst gezien. Tegen deze achtergrond heeft de vader bovengenoemde verzoeken gedaan. Op de zitting is met de ouders gesproken over de ontstane situatie. De moeder heeft, kort gezegd, verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om haar in staat te stellen om verweer te voeren. Zij heeft aangegeven dat zij de post over deze zitting heeft verward met de zitting die op 29 mei 2024 gepland stond naar aanleiding van het door de gecertificeerde instelling tegen de ondertoezichtstelling ingestelde hoger beroep. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er aanleiding is om de moeder te volgen in haar verzoek. Daarbij is voor de rechtbank uitgangspunt dat het aanhoudingsverzoek van de moeder is afgewezen. De vraag is daarom of er desondanks aanleiding is om de verzoeken van de vader aan te houden om de moeder alsnog in staat te stellen (schriftelijk) verweer te voeren. Gebleken is dat de moeder op 18 april 2024 zowel per gewone als per aangetekende post is opgeroepen voor deze zitting. Op 24 mei 2024 is er een gewijzigde oproep gestuurd, zowel per gewone als per aangetekende post, naar aanleiding van de gevoegde nieuwe verzoeken van de vader. Daarnaast heeft de advocaat van de vader op de zitting verklaard dat hij van alle stukken ook steeds direct een afschrift naar de moeder heeft gestuurd. Bovendien heeft de moeder verklaard dat zij de post wel heeft gezien, maar verkeerd heeft gelezen. Dit komt voor haar eigen risico. Het feit dat de moeder de aangetekende post niet heeft opgehaald komt ook voor haar eigen risico. De rechtbank overweegt dat de moeder ruimschoots in de gelegenheid is geweest om zich te wenden tot een advocaat en om met behulp van die advocaat verweer te voeren. Kennelijk heeft de moeder ervoor gekozen dat niet te doen. Ook na afloop van de zitting heeft zich geen advocaat gesteld namens de moeder. De rechtbank kan geen andere conclusie trekken dan dat de moeder de ernst van de situatie onvoldoende inziet of wil inzien. De rechtbank acht het in strijd met de belangen van de vader en [de minderjarige] om de procedure langer aan te houden, te meer omdat de vader verzoeken heeft gedaan die gelet op de leeftijd van [de minderjarige] geen uitstel dulden. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de vader. Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang. Gezag, hoofdverblijfplaats en vervangende toestemming schoolinschrijving De rechtbank ziet aanleiding om allereerst het verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten te bespreken, aangezien dat verzoek het meest verstrekkend en ingrijpend is. Volgens artikel 1:253n, eerste lid BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan door aantekening in het gezagsregister beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.