RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.29443 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2024 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.P. Duijn), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. P. Bolhouwer). Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Handelt de minister voldoende voortvarend?
- Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht aan de Franse autoriteiten. De minister heeft op 10 juli 2024 een Dublin-claim bij de Zwitserse autoriteiten ingediend. Nadat de Zwitserse autoriteiten deze claim op 12 juli 2024 heeft afgewezen, heeft de minister op 15 juli 2024 een Dublin-claim ingediend bij de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben de Dublin-claim op 29 juli 2024 geaccepteerd. Eiser stelt dat hiermee kostbare tijd verloren is gegaan, aangezien de minister wist dan wel had moeten weten dat de Franse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor eiser op grond van de Dublinverordening. Eiser is namelijk op 19 januari 2024 ook al in bewaring gesteld en vervolgens op 2 februari 2024 overgedragen aan de Franse autoriteiten op grond van de Dublinverordening. Eiser stelt dat de minister meteen een Dublin-claim had moeten indienen bij de Franse autoriteiten, dan wel gelijktijdig een Dublin-claim bij de Zwitserse en Franse autoriteiten had moeten indienen. 1.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat eiser, nadat hij op 2 februari 2024 was overgedragen aan de Franse autoriteiten, in Zwitserland is geweest. Uit Eurodac blijkt namelijk dat eiser zich op 10 april 2024 heeft gemeld in Zwitserland. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat er daarom een aanknopingspunt bestond om eerst een Dublin-claim neer te leggen bij de Zwitserse autoriteiten. Nadat de Zwitserse autoriteiten de Dublin-claim hebben afgewezen, heeft de minister binnen enkele dagen een claim bij de Franse autoriteiten ingediend. Dat acht de rechtbank voldoende voortvarend. De rechtbank voegt daaraan toe dat uit artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en in ieder geval niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden. Vooralsnog is de rechtbank niet gebleken dat geen sprake is van een bewaring die zo kort mogelijk duurt. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.