Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-1121 (echtscheiding) en FA RK 23-4555 (huwelijksvermogen) Zaaknummer: C/09/642779 (echtscheiding) en C/09/649721 (huwelijksvermogen) Datum beschikking: 17 juli 2024 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 1 februari 2023 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende in [woonplaats] , gemeente [gemeente] , advocaat: mr. J.C. Heijmann te Papendrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van 26 april 2024 met bijlage, van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 7 juni 2024 met bijlagen, van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 10 juni 2024 met bijlagen, van de zijde van de man. Op 19 juni 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Feiten - De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdag 1] 2018 te [plaats 1] . - De man en de vrouw zijn eerder met elkaar gehuwd op [huwelijksdag 2] 2007 in algehele gemeenschap van goederen, welk huwelijk op 7 juli 2010 is ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. - Zij zijn de ouders van de inmiddels jong-meerderjarige: - [jong-meerderjarige] (hierna: [jong-meerderjarige] ), geboren op [geboortedag 1] 2005 te [geboortedag 2] . - De vrouw heeft op 30 juni 2022 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, welk verzoekschrift zij op 31 januari 2023 heeft ingetrokken. - Deze rechtbank heeft op 13 september 2022 voorlopige voorzieningen getroffen, welke zijn komen te vervallen door intrekking van het echtscheidingsverzoek. - Deze rechtbank heeft op 11 april 2023 voorlopige voorzieningen getroffen. De rechtbank heeft, voor zover van belang: - bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning; - een kinderalimentatie vastgesteld van € 423,- per maand vanaf de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - een partneralimentatie vastgesteld van € 394,- per maand vanaf de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoek en verweer Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van een kinderalimentatie van € 423,- per maand; - veroordeling van de vouw tot het voldoen aan de man van een bedrag van € 2.943,92 wegens achterstallige huishoudkosten; - verklaring voor recht dat op grond van de redelijkheid en billijkheid geen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, doch van een beperkte gemeenschap van goederen; - toedeling van de auto aan de vrouw onder verrekening van de waarde; - verdeling van de gezamenlijke inboedelgoederen bij helfte; - gelasting van de vrouw om op grond van artikel 843a Rv haar banksaldi ten tijde van het huwelijk en op 1 februari 2023 te overleggen, alsmede een jaaroverzicht 2021 en 2022; - verdeling van de tijdens het huwelijk opgebouwde gezamenlijke spaarsaldi van partijen bij helfte; - de gezamenlijke inboedelgoederen te verdelen bij helfte; - toedeling om niet van de hond aan de vrouw, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding. De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw – na wijziging ter zitting – zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [jong-meerderjarige] van € 509,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht; - vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 394,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw; - bepaling dat de man een overzicht van zijn pensioen via mijnpensioenoverzicht.nl in het geding dient te brengen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Echtscheiding De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het over en weer gedane verzoet tot echtscheiding als op de wet gegrond zal worden toegewezen. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling De man en de vrouw hebben op de zitting hun verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling ingetrokken, omdat [jong-meerderjarige] inmiddels meerderjarig is. De rechtbank hoeft hier daarom geen beslissing over te nemen. Kinderalimentatie / alimentatie jong-meerderjarige Nu [jong-meerderjarige] inmiddels meerderjarig is, zal de rechtbank in het vervolg spreken van alimentatie voor de jong-meerderjarige dan wel voor [jong-meerderjarige] . De vrouw heeft eerst ter zitting haar verzoek tot alimentatie voor [jong-meerderjarige] gewijzigd. De man heeft daartegen bezwaar gemaakt. De man vindt het in strijd met de goede procesorde, omdat hij zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden en daarom niet adequaat hierop kan reageren. Hij verzoekt dan ook om alsnog een nadere akte te mogen nemen. De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft bij haar gewijzigde verzoek geen onderliggende berekening overgelegd. Het is dan ook voor de rechtbank en dus ook voor de man niet na te gaan hoe de vrouw aan het bedrag van € 509,- is gekomen. Reeds daarom wijst de rechtbank het gewijzigde verzoek van de vrouw af. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdragen vaststellen op € 423,-, zoals aanvankelijk door zowel de vrouw als de man was verzocht. De rechtbank zal dit bedrag indexeren, zodat de door de man per heden te betalen bijdrage voor [jong-meerderjarige] € 449,- bedraagt. Partneralimentatie De vrouw verzoekt een bijdrage van € 394,-, omdat zij met haar WAO-uitkering niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man betwist de hoogte van de door de vrouw berekende behoefte, omdat partijen altijd vrij zuinig hebben geleefd. Eerst ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat de vrouw een driejarige universitaire studie ‘internationale betrekkingen’ volgde die zij inmiddels zou moeten hebben afgerond. De man betwist dan ook dat de vrouw behoeftig is, omdat ze met een dergelijke opleiding een baan moet kunnen vinden waarmee ze zelf in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft betwist dat zij de door de man genoemde studie heeft afgerond. De man heeft dit niet met stuken onderbouwd. De rechtbank zal hier daarom aan voorbij gaan, nog daargelaten of dit invloed zou hebben op de behoeftigheid van de vrouw. De rechtbank zal voor de berekening van een bijdrage uitgaan van de hofnorm. De man heeft de toepassing van de hofnorm niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar nog een correctie op toe te passen. Het door de man als productie 6 overgelegde overzicht van de inkomsten en uitgaven is een door de man zelf opgesteld overzicht dat door de vrouw is betwist. De rechtbank zal daarom voor de berekening van de partneralimentatie aansluiten bij de door de vrouw overgelegde berekening. De man heeft deze berekening op zich niet betwist en dit komt ook overeen met wat de man ten tijde van de voorlopige voorzieningenprocedure heeft aangegeven te kunnen betalen aan partneralimentatie en met wat door de voorlopige voorzieningenrechter ook is vastgesteld. De rechtbank zal dit bedrag indexeren, zodat de door de man aan de vrouw per heden te betalen bijdrage € 418,- bedraagt. Verdeling huwelijks vermogen Tussen partijen is in geschil welk huwelijksvermogensregime van toepassing is. Partijen zijn immers in 2018 voor de tweede keer met elkaar gehuwd. Op dat moment gold in Nederland de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Tijdens hun eerste huwelijk in 2007 gold de algehele gemeenschap van goederen. Volgens de man geldt tussen partijen een beperkte gemeenschap van goederen. Hij voert daartoe het volgende aan. Partijen zijn na hun eerste scheiding overgegaan tot een volledige verdeling van hun huwelijksvermogen, waarbij de man onder andere de woning toegedeeld heeft gekregen. Beide partijen waren ervan overtuigd dat tijdens hun tweede huwelijk een beperkte gemeenschap van goederen bestond. Zij hebben niet beseft dat de gevolgen van het eerste huwelijk zouden herleven op grond van artikel 1:166 Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen hebben ook geleefd alsof sprake was van een beperkte gemeenschap. Zo heeft de vrouw in haar verzoekschrift tot echtscheiding aangegeven: “De woning waar partijen gezamenlijk wonen is eigendom van de man en was dat ook al ten tijde van het aangaan van het huwelijk. Ook de hypothecaire geldlening staat op naam van de man, zodat ten aanzien van deze woning geen verdeling behoeft plaats te vinden.” De man heeft ook altijd de hypothecaire geldlening met uitsluiting van de vrouw voldaan vanaf zijn privérekening. Toen de man het rentepercentage wilde wijzigen, heeft de bank enkel met de hem gehandeld. Daarnaast hadden partijen een gezamenlijke rekening waarop zij beiden een bedrag stortten ten behoeve van de gebruikerslasten en overige vaste lasten. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich dan ook tegen het hanteren van de algehele gemeenschap van goederen. Ten slotte voert de man aan dat het doel van artikel 1:166 BW is om te voorkomen dat mogelijke schuldeisers worden benadeeld, doordat echtgenoten de regeling van (het inmiddels vervallen) artikel 1:119 BW ontlopen. In dit geval hebben partijen echter volledig met elkaar afgerekend en hebben zij dus op geen enkele manier een schuldeiser kunnen benadelen, aldus de man. De vrouw voert hiertegen verweer. Zij wijst erop dat op grond van artikel 1:166 BW door het tweede huwelijk alle gevolgen van het eerste huwelijk van rechtswege zijn herleefd alsof er geen echtscheiding heeft plaatsgevonden. Partijen zijn daarom opnieuw getrouwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. De vrouw heeft verder gemotiveerd betwist dat partijen toen zij hertrouwden, zij dit deden in de veronderstelling dat inmiddels het ‘nieuwe huwelijksvermogensrecht’ van toepassing was, dat zij daar allebei van overtuigd waren en dat zij steeds overeenkomstig dit nieuwe recht hebben gehandeld. Van dit alles was volgens haar dus geen sprake. De rechtbank stelt voorop dat – nu de man en de vrouw eerder met elkaar gehuwd zijn geweest – op grond van artikel 1:166 BW alle gevolgen van het eerste huwelijk van rechtswege herleven alsof er geen echtscheiding heeft plaatsgevonden. Dat in ieder geval de man, en wel mogelijk tot voor kort ook de vrouw, niet op de hoogte waren van dit artikel, maakt niet dat het haar werking verliest. Iemand wordt immers geacht de wet te kennen, een mogelijke onbekendheid daarmee komt voor eigen rekening en risico. Voor zover de man bedoelt te betogen dat partijen eigenlijk impliciet zijn overeengekomen dat dit artikel voor hen geen opgeld doet, namelijk door samen te leven alsof er sprake is van een beperkte gemeenschap, ziet de rechtbank niet dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zich tegen onverkorte toepassing van dit artikel verzet. Immers moet daarvoor sprake zijn van zodanige feiten of omstandigheden dat die toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat van dergelijke feiten en omstandigheden sprake is, is in zoverre niet naar voren gebracht. Als de man en de vrouw daadwerkelijk gehuwd wilden zijn op een kennelijk door de man voorgestane wijze, dan had het op hun weg gelegen om huwelijkse voorwaarden te maken. Dit hebben zij echter niet gedaan. Ook het argument van de man dat het enkele doel van artikel 1:166 BW is om benadeling van schuldeisers te voorkomen, wordt verworpen. Nog daargelaten dat artikel 1:119 BW inmiddels is vervallen, terwijl artikel 1:166 BW nog steeds geldt, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat artikel 1:166 BW in de wet is opgenomen om allerlei rechtsonzekerheid te voorkomen en dus niet alleen ziet op de benadeling van schuldeisers (zie ook ECLI:NL:PHR:1992:40). De rechtbank zal het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat op grond van de redelijkheid en billijkheid geen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, maar van een beperkte gemeenschap van goederen dan ook afwijzen. Op grond van de artikelen 1:93 en 1:94 BW gold tussen partijen dus opnieuw een algehele gemeenschap van goederen, waarbij het uitgangspunt is dat de huwelijksgemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 1 februari 2023, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Omvang Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht: echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en de daaraan verbonden hypotheek; inboedel; levensverzekeringen; bank- en spaarrekeningen; auto, merk Volvo, kenteken [kenteken] ; uitvaartverzekering; hond [naam hond] ; a. Echtelijke woning en hypothecaire geldlening De man voert aan dat de woning volledig in eigendom is van de man, zodat deze niet hoeft te worden verdeeld. De vrouw verzoekt de woning aan de man toe te delen, indien de man de helft van de taxatiewaarde minus de hypothecaire geldlening aan de vrouw voldoet. Als de man de woning niet wenst over te nemen, moet deze worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst minus de hypothecaire geldlening minus de verkoopkosten bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat op het huwelijk van partijen de algehele gemeenschap van goederen van toepassing is. De woning dient dan ook bij helfte te worden verdeeld. De rechtbank zal overeenkomstig het door de vrouw geformuleerde spoorboekje de man in de gelegenheid stellen om de woning over te nemen. De man heeft geen verweer gevoerd tegen dit spoorboekje. Indien de man de woning niet wenst over te nemen, dient de woning te worden verkocht. In beide gevallen hebben partijen ieder recht op de helft van de getaxeerde waarde respectievelijk de verkoopopbrengst minus de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de taxatie.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.