Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/036063-23 Datum uitspraak: 8 februari 2024 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] , zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Vught. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 mei 2023, 3 augustus 2023, 21 oktober 2023, 21 december 2023 (alle pro forma), 18 januari 2024 en 25 januari 2024 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.J.M. Laurier naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op 3 augustus 2023 - ten laste gelegd dat: 1hij op of omstreeks 5 februari 2023 te Delft [slachtoffer 1] , opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] (meermalen) met een mes in het hoofd en/of lichaam en/of been te steken; 2hij op of omstreeks 5 februari 2023 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , opzettelijk van het leven te beroven, [slachtoffer 2] (meermalen) met een mes in het hoofd en/of nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3hij op of omstreeks 5 februari 2023 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, [slachtoffer 3] (meermalen) met een mes in het lichaam en/of hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3De bewijsbeslissing 3.1. Inleiding Op 5 februari 2023 heeft aan de [adres 1] een steekpartij plaatsgevonden, waarbij de verdachte [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft neergestoken. [slachtoffer 1] is als gevolg hiervan ter plekke aan haar verwondingen overleden. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn met spoed naar ziekenhuizen in Rotterdam en Den Haag vervoerd en hebben de steekpartij overleefd. Meerdere personen zijn getuige geweest van de steekpartij, die plaatsvond op klaarlichte dag. De verdachte plaatste kort na de steekpartij een bericht op Facebook, inhoudende dat hij drie mensen had neergestoken, waaronder de persoon waarvan hij hield. De verdachte is na een achtervolging door de politie net over de grens in België door de Belgische politie aangehouden en een dag later overgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten. Tegenover zowel de Belgische als de Nederlandse politie heeft de verdachte op 5 respectievelijk 6 februari 2023 verklaard dat hij had gestoken. De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel doodslag op [slachtoffer 1] en tweemaal poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit de voorbedachte raad, en dus moord, bewezen verklaard kan worden. 3.3. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak dient te volgen voor het onderdeel voorbedachte raad en dus dat slechts doodslag bewezenverklaard kan worden. De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. 3.4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.5. Bewijsoverwegingen Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 5 februari 2023 in Delft meermalen heeft gestoken, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ernstig gewond zijn geraakt. Deze zaak draait in essentie om de vraag of de verdachte al dan niet met voorbedachte raad [slachtoffer 1] heeft doodgestoken en dus of sprake is van moord, of dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld en dus sprake is van doodslag. Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] als gevolg van het steken door de verdachte potentieel levensbedreigend is geweest. Moord of doodslag [slachtoffer 1] Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342). Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0094). Ten aanzien van die weging en waardering in onderhavige zaak, acht de rechtbank na te noemen omstandigheden relevant. Telefoongegevens Uit de gegevens van de mobiele telefoon van de verdachte is gebleken dat [slachtoffer 1] op 5 februari 2023 rond 09.00 uur de verdachte heeft bericht dat het klaar was tussen hen en dat zij nog liet weten wanneer hij zijn spullen kon komen ophalen. Vervolgens probeerde de verdachte veelvuldig met [slachtoffer 1] in contact te komen door haar te bellen en berichten te sturen dat zij moest opnemen. [slachtoffer 1] stuurde de verdachte meerdere malen berichten dat zij niet zou opnemen, hij moest ophouden met haar te bellen, en haar met rust moest laten. De verdachte stuurde hierop dat hij wel naar de moeder van [slachtoffer 1] zou gaan, omdat zij daar vast wel zou zitten. Ondertussen had de verdachte contact met [naam 1] en [naam 2] . Hij liet [naam 2] weten dat ‘het gedaan is met die Hollandse’, de rechtbank begrijpt dat hij hiermee bedoelde dat zijn relatie met [slachtoffer 1] was beëindigd. De verdachte en [naam 2] hadden ook telefonisch contact met elkaar in de tijd dat de verdachte vanuit België naar Delft reed. [naam 2] heeft hierover bij de politie verklaard dat hij haar gedurende de autorit had gezegd dat hij [slachtoffer 1] ‘kapot ging maken’ en ‘dat zij het mis had, als zij dacht hiermee weg te komen’. [naam 2] probeerde het nog uit zijn hoofd te praten, maar na het telefoongesprek stuurde de verdachte aan [naam 2] ‘sorry’ en ‘ik kan niets beloven’. [naam 2] stuurde nog ‘please doe niets doms’, waarop de verdachte wederom antwoordde: ‘sorry’. Nagenoeg gelijktijdig berichtte de verdachte aan [naam 1] , al dan niet in afgekorte vorm en/of spreektaal, dat hij ‘het niet meer weet en denkt dat hij domme dingen gaat doen’, ‘ik ben gewoon op’, ‘ik wil die gewoon kapot en dan mijzelf’ en ‘ik weet niet als het mij gaat lukken om slim te blijven dus sorry als ik jouw lessen misbruik’. Ook [naam 1] berichtte de verdachte dat hij geen domme dingen moest doen en dat de verdachte moest omdraaien en naar hem moest komen. De verdachte liet weten dat hij ‘dit niet kon beloven’ en er ‘al bijna was’. [naam 1] stuurde nogmaals aan de verdachte dat hij om moest draaien en naar hem moest komen om samen te praten. De verdachte stuurde: ‘te laat ze komt’ en ‘sorry broer’. Camerabeelden Uit de camerabeelden gericht op de straat en de voortuin van de [adres 1] is gebleken dat de verdachte een paar minuten voor 11.00 uur kwam aanrijden in de [adres 2] en zijn auto pal voor de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] parkeerde. Hij stapte uit en liep naar de voordeur van de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Na dertig seconden liep hij weer terug naar zijn auto, stapte in en reed weg, om na drie minuten terug te keren en zijn auto te parkeren in een parkeervak tegenover de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Vervolgens stapte de verdachte uit en liep wat heen en weer tussen de voortuin van de woning en zijn auto, om zich daarna op te houden in de voortuin en voor de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Op enig moment verlieten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] de woning via de voortuin, waarbij [slachtoffer 1] achter [slachtoffer 3] aanliep. De verdachte stond op dat moment op de stoep voor de voortuin en liet [slachtoffer 3] passeren en draait zich dan direct richting [slachtoffer 1] maakt een stekende beweging naar de voorkant van haar lichaam. Zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] kwamen nog tussen de verdachte en [slachtoffer 1] , waarbij ook zij door de verdachte werden gestoken. [slachtoffer 3] kwam hierna op het trottoir terecht, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] kwamen in de voortuin terecht. De verdachte liep uit de voortuin richting de straat en het trottoir om vervolgens nog tweemaal terug te keren in de voortuin om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog meerdere keren te steken. Messen Verder is uit het dossier gebleken dat de verdachte op het moment dat hij zijn auto verliet en richting de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] liep, twee messen op zak heeft gehad. De bij deze messen behorende foedralen bevonden zich in de auto van de verdachte, waarvan er één in de achterbak van de verdachte werd aangetroffen. Nu op de camerabeelden niet is te zien dat de verdachte iets uit zijn achterbak heeft gehaald, had hij dit mes in ieder geval voor de confrontatie al uit het foedraal gehaald en droeg hij dit mes bij zich. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van de messen verband hield met de training die de verdachte de ochtend van 5 februari 2023 heeft gehad en heeft daarvoor verwezen naar een gesprek via Facebook Messenger tussen de verdachte en [naam 1] zoals opgenomen op pagina 641 van het dossier. De rechtbank stelt echter vast dat het door de raadsvrouw aangehaalde gesprek dateert van 3 december 2022 en dus geen betrekking heeft op de ochtend van 5 februari 2023. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van plan was om zichzelf van het leven te beroven en niet [slachtoffer 1] en dat om die reden niet kan worden gesproken van een vooropgezet plan in het kader van de voorbedachte raad. De rechtbank ziet juist aanwijzingen voor een ander plan en verwijst hiervoor naar de berichten tussen de verdachte en [naam 1] , waarin de verdachte stuurde: “Ik wil eerst die kapot en dan mijzelf”. Op basis van de context van het gesprek stelt de rechtbank vast dat de verdachte met ‘die’ doelde op [slachtoffer 1] . De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte pas zelfmoord wilde plegen nádat hij [slachtoffer 1] van het leven had beroofd. Van een plan van de verdachte om zelfmoord te plegen zonder dat hij eerst geweld zou uitoefenen op [slachtoffer 1] , zoals door de raadsvrouw betoogd, is uit het dossier niet gebleken. Conclusie Uit voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, te weten het doodsteken van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dit blijkt uit het feit dat hij zich enkele minuten ophield in de voortuin en op het trottoir voor de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , wetende dat [slachtoffer 1] daar op dat moment was. Hij wachtte haar op terwijl hij twee messen bij zich droeg en liet doelbewust [slachtoffer 3] eerst passeren voordat hij zich tot [slachtoffer 1] wendde en haar neerstak. En dit alles nadat hij vanuit België onderweg naar Delft met meerdere personen (te weten [naam 2] en [naam 1] ) contact had over wat hij van plan was te doen, namelijk ‘die kapot maken’, doelende op [slachtoffer 1] . Zowel [naam 2] als [naam 1] hebben vervolgens geprobeerd om hem hiervan te weerhouden en gewaarschuwd (onder meer door te zeggen dat hij ‘geen domme dingen moest doen’), maar verdachte heeft deze adviezen terzijde geschoven met opmerkingen als: ‘ik weet niet of het mij gaat lukken om slim te blijven’ en ‘ik kan niks beloven’. Ook hieruit blijkt dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Naar het oordeel van de rechtbank wijzen al die gedragingen gezamenlijk en de verschillende beslismomenten die zij in zich hadden, op een min of meer planmatig handelen, gericht op de dood van het slachtoffer. Alles in onderling verband en samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorbedachte raad. Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht voor de onder 1 ten laste gelegde moord. Poging tot doodslag [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten de poging tot doodslag van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat uit de camerabeelden zoals omschreven door de politie en de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat de verdachte bij het steken steeds de intentie had om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dodelijk te raken. Het steken van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] was doelgericht, met korte en krachtige steken. Uit hun geneeskundige verklaringen blijkt dat de verdachte hen meermalen heeft gestoken in het gezicht, hals, nek en/of borst en dat hierbij sprake was van zeer ernstig letsel, zoals perforatie van de halsslagader en een klaplong. Het is evident dat voor het steken in voornoemde vitale delen van het lichaam met dermate letsel als gevolg, naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk is te achten dat daardoor dodelijk letsel kan ontstaan. Gelet op het voorgaande kan op basis van de uiterlijke verschijningsvorm worden aangenomen dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De verdachte heeft willens en wetens op hen ingestoken in vitale lichaamsdelen. Het is slechts aan de snelle en adequate reactie van de omstanders en hulpverlening te danken dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet daadwerkelijk zijn overleden. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. 3.6. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1hij op 5 februari 2023 te Delft [slachtoffer 1] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het hoofd en lichaam en been te steken; 2hij op 5 februari 2023 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] , opzettelijk van het leven te beroven, [slachtoffer 2] meermalen met een mes in het hoofd en nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3hij op 5 februari 2023 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, [slachtoffer 3] meermalen met een mes in het lichaam en hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op te leggen, voor ongemaximeerde duur. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich, gelet op de door haar bepleite vrijspraak van moord, op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van maximaal 12 jaren passend is en daarbij de tbs-maatregel met dwangverpleging. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft op 5 februari 2023 de levens van meerdere personen voorgoed veranderd. De verdachte is vanuit Antwerpen naar Delft gereden nadat hij het berichtje van [slachtoffer 1] had gelezen dat zij de relatie tussen hen wilde stoppen. Tijdens deze rit heeft hij zijn plan om haar ‘kapot te maken’, en aldus haar leven te beëindigen, nog laten weten aan een vriend en een vriendin vanuit de auto. Zij hebben hem met berichten en telefonisch contact gewaarschuwd om geen domme dingen te doen, om de auto te keren richting Antwerpen en hem hulp aangeboden. Ondanks dit is hij toch doorgereden naar de woning van de moeder van [slachtoffer 1] en heeft hen buiten opgewacht om te doen wat hij van plan was: het leven van [slachtoffer 1] te beëindigen. De verdachte heeft [slachtoffer 1] het leven ontnomen, het belangrijkste wat een mens toekomt. Op brute wijze heeft hij haar leven beëindigd door haar 26 keer te steken waarbij zes steken vitale delen van haar lichaam hebben geraakt, zoals haar longen, hartzakje en hart. Ook de moeder van [slachtoffer 1] en de partner van de moeder moesten het ontgelden. Eerst probeerde [slachtoffer 3] haar dochter te beschermen, waarop zij direct meermalen door de verdachte in haar hals en bovenlichaam werd gestoken. Hierna raakte [slachtoffer 2] , toegesneld vanuit de woning, met de verdachte in gevecht waarbij ook hij meerdere keren werd gestoken, waaronder in zijn wang en halsslagader. Zijn leven kon alleen worden gered door acuut medisch ingrijpen in het ziekenhuis. Op het moment dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] waren uitgeschakeld en zij door hun steekverwondingen de verdachte niet meer konden tegenhouden, heeft de verdachte [slachtoffer 1] op weerzinwekkende wijze op haar ingestoken en haar van haar leven beroofd. Zij is tientallen keren in haar gezicht en borst gestoken. [slachtoffer 1] had geen schijn van kans om te overleven; de toegesnelde hulpdiensten konden vanwege de ernst van het steekletsel niets meer voor haar doen en de reanimatie moest worden gestaakt. Alle drie de slachtoffers zaten of zelf onder het bloed of lagen in een plas van bloed in de voortuin en/of op het trottoir voor de woning. Het beeld hiervan moet verschrikkelijk zijn geweest en juist dit alles heeft de toen zes jaar oude dochter van [slachtoffer 1] van achter het woonkamerraam moeten aanzien. Zij was getuige van de steekpartij gericht op haar moeder, oma en stiefopa. Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij na de steekpartij in de deuropening van de woning stond en zei: “Mama niet doodgaan”. Dit moet ook het laatste zijn dat [slachtoffer 1] heeft meegekregen, toen zij haar dochter nog gebaarde dat ze 112 moest bellen. Ook voor een buurtbewoner die op zondagochtend nietsvermoedend zijn hond uitliet en voor buren en andere getuigen heeft het handelen van de verdachte, instekend op drie personen, een onuitwisbare indruk achtergelaten. Door zijn voornemen uit te voeren en een einde te maken aan het leven van [slachtoffer 1] en door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] levensgevaarlijk neer te steken heeft de verdachte de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed aangedaan. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van diverse familieleden is gebleken hoezeer de gebeurtenissen van 5 februari 2023 collectief traumatiserend zijn geweest. Het is voor hen onbegrijpelijk en zij moeten hun verdere leven meedragen, dat de verdachte met zoveel geweld en zoveel agressie een einde aan het leven van [slachtoffer 1] heeft gemaakt, enkel omdat zij de relatie tussen hen wilde uitmaken, een relatie die al een tijd niet goed liep. Het is helemaal onbegrijpelijk waarom [slachtoffer 1] dit met haar leven heeft moeten bekopen, omdat [slachtoffer 1] als moeder de zorg voor haar nog jonge dochter had. [slachtoffer 1] wordt enorm gemist, als moeder, als dochter en als (schoon)zus. Haar dochter is nu opgenomen in het gezin van de zus van [slachtoffer 1] . In haar slachtofferverklaring is treffend verwoord hoe zwaar en moeilijk het gemis van [slachtoffer 1] is voor iedereen in het gezin en in de familie en hoeveel leed de verdachte heeft berokkend. Uit de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van forse duur. Omtrent de daarvoor te hanteren uitgangspunten overweegt de rechtbank het volgende. Moord en doodslag behoren tot de ernstigste strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren vastgesteld. Binnen de rechtspraak bestaan voor deze delicten geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om de onderhavige zaak te vergelijken met andere zaken, heeft de rechtbank voor het bepalen van een uitgangspunt van de hoogte van de straf, de straffen die recentelijk en in het verleden zijn opgelegd voor een enkelvoudige moord in aanmerking genomen. Uit een analyse van recente rechterlijke uitspraken blijkt dat voor een enkelvoudige moord in relationele sfeer doorgaans een gevangenisstraf wordt opgelegd tussen de 14 en 18 jaren (zie bijvoorbeeld vonnissen van de rechtbank Den Haag met vindplaatsen: ECLI:NL:RBDHA:2023:16782 en ECLI:NL:RBDHA:2023:14045). Voor een enkelvoudige poging tot doodslag wordt doorgaans een gevangenisstraf opgelegd van tussen de vijf en acht jaren. Deze uitgangspunten nemen niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepalingen leidt vele verschillende vormen kan aannemen, zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. De rechtbank overweegt, gelet op voormeld uitgangspunt, dat voor de jegens de verdachte bewezen verklaarde moord oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren in aanmerking komt. Daarbij speelt met name de zeer gewelddadige wijze van de moord een rol en het feit dat [slachtoffer 1] voor de ogen van haar minderjarige kind, moeder en stiefvader is vermoord. Ten aanzien van de pogingen tot doodslag op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat – per feit – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren in aanmerking komt gelet op het ernstig gevaar zettend handelen van de verdachte en de noodzaak van medisch ingrijpen bij beiden. De slotsom is dan ook dat, uitsluitend gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte daarbij, oplegging van een gevangenisstraf van 28 jaar in aanmerking komt. Vervolgens zal de rechtbank de overige omstandigheden in strafverzwarende of strafmatigende zin meewegen. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 1 januari 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Het strafblad van de verdachte weegt de rechtbank dan ook niet in strafverzwarende zin mee. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 16 oktober 2023 opgesteld door [naam 3] , psychiater onder supervisie van [naam 4] , psychiater, en [naam 5] , GZ-psycholoog en de beantwoording van aanvullende vragen door voornoemde rapporteurs van 17 januari 2024. Uit de rapportage volgt dat de verdachte in de weken voorafgaand aan 5 februari 2023 droevig was en veel piekerde. De stemming van de verdachte was het gevolg van een opeenstapeling van verschillende life events. Zo verliep de relatie met [slachtoffer 1] niet goed en had zij aangegeven te twijfelen aan hun relatie. Daarnaast bracht de chemotherapie van verdachtes terminaal zieke moeder niet het gewenste effect. Daarbovenop maakte [naam 2] aan de verdachte kenbaar gevoelens voor hem te hebben, hetgeen de situatie voor hem nog ingewikkelder maakte. Door deze opeenstapeling was hij moe, uitgeput, verdrietig en vol twijfel. Vervolgens ontving de verdachte het bericht van [slachtoffer 1] over het einde van hun relatie en besloot hij – na haar vaak maar tevergeefs te hebben gebeld – naar haar toe te rijden. De verdachte weet zich ten overstaan van de deskundigen niet veel meer te herinneren na het moment dat hij dit bericht ontving. Hij herinnert zich slechts flarden van het steekincident en heeft pas vanaf het moment van zijn aanhouding in België weer herinneringen. De deskundigen hebben verdachtes geheugenklachten omtrent de ten laste gelegde feiten onderzocht. Zij concluderen dat de amnesie niet vanuit een neurocognitieve stoornis is te verklaren, noch vanuit collaterale- en anamnestische informatie en het neurologisch- en testonderzoek. De geheugenproblematiek van de verdachte omtrent de ten laste gelegde feiten is daarmee gedragskundig dan ook niet te verklaren. Volgens de deskundigen is bij de verdachte sprake van een onder stress kwetsbare persoonlijkheidsstructuur die is ontstaan door vroegkinderlijke hechtingsproblemen en affectieve verwaarlozing. Daarnaast heeft de verdachte een kwetsbaar zelfgevoel en is hij afhankelijk van externe bevestiging, hetgeen hem in de interactie met anderen kwetsbaar maakt. Verdachtes gebrekkige ontwikkeling van zijn persoonlijkheidspatroon in psychodynamisch opzicht classificeren de deskundigen als een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verder concluderen zij dat bij de verdachte ten tijde van en in aanloop naar de ten laste gelegde feiten sprake was van een aanpassingsstoornis in stemming en gedrag, gezien zijn psychisch ontregeld toestandsbeeld. Op basis van collaterale informatie en ondanks de tegenstrijdige informatie van de verdachte en amnesie omtrent de ten laste gelegde feiten, concluderen de deskundigen dat het voorstelbaar is dat de persoonlijkheidsstoornis én aanpassingsstoornis hebben doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten. Zij adviseren dan ook de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Wat betreft het recidiverisico wordt de context waarin de verdachte functioneert van belang geacht. Zo kunnen dynamische risicofactoren in een (intieme) relatie leiden tot recidive en is de kans op recidive hoger, naar mate de context van die (intieme) relatie gelijkenissen vertoont met de context van de ten laste gelegde feiten. Desalniettemin is de problematiek van de verdachte behandelbaar in een intensieve multimodale opzet en een daarmee gepaarde hoog beveiligde omgeving, zoals een forensisch psychiatrisch centrum (FPC). De deskundigen adviseren dan ook om aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen en hem in dat kader in een FPC te behandelen voor zijn psychopathologie. De rechtbank acht de conclusies van de onderzoekers van het PBC inzichtelijk en gedegen onderbouwd. In de rapportage is helder en concludent gemotiveerd hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank neemt de conclusies daarom over en maakt die tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte zal toerekenen. De rechtbank zal dit in strafmatigende zin meewegen. Voorts is nog het volgende van belang. In zijn eerste verhoor heeft de verdachte met enkele woorden verklaard betrokken te zijn geweest bij het neersteken van de drie slachtoffers, in zijn tweede en derde verhoor wist hij zich weinig meer te herinneren en in zijn vierde verhoor heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting wist de verdachte zich wederom weinig te herinneren en gaf zelfs toe zich weinig te durven herinneren. Het stond en staat de verdachte uiteraard geheel vrij een dergelijke proceshouding aan te nemen en dat wordt dan ook niet in strafverzwarende zin meegewogen. Uit een heimelijk opgenomen gesprek tussen de verdachte en zijn broer gedurende verdachtes voorarrest, blijkt echter dat de verdachte tegen zijn broer vertelde dat hij zich wel alles kon herinneren, maar rekening houdend met een eventueel beroep op onbekwaamheid zou verklaren zich niets meer te kunnen herinneren. De verdachte heeft hiermee laten zien zich niet te bekommeren om het feit dat de nabestaanden door zijn opstelling nog altijd met vragen achterblijven. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. De op te leggen straf Gelet op het voornoemde en alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 27 jaren. Deze straf is hoger dan de officier van justitie heeft gevorderd. Met verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat met name de ernst van de feiten een hogere straf verdient. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De op te leggen maatregel De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten die de wet stelt in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de tbs-maatregel. De rechtbank beschikt over een advies van twee deskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en de adviezen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en dat dit tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten zeer ernstig zijn en problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt en het daaruit voortvloeiende herhalingsgevaar indien de problematiek van de verdachte onbehandeld blijft, zodanig is dat het niet verantwoord is om hem onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De bescherming van de veiligheid van de samenleving noodzaakt daarom tot het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging en de rechtbank zal deze maatregel dan ook naast de gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. De rechtbank overweegt ten slotte dat de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten moord en tweemaal poging tot doodslag. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan. 7De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen [naam 6] , de dochter van [slachtoffer 1] en wettelijk vertegenwoordigd door haar voogden [naam 7] en [naam 8] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 140.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 40.000,- aan materiële schade en € 100.000,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit € 25.000,- (althans € 23.400,-) uit gederfd levensonderhoud en € 15.000,- aan nader te onderbouwen materiële schade. De immateriële schade bestaat uit € 20.000,- aan affectieschade, € 30.000,- aan schade vanwege de aantasting in persoon en € 50.000,- aan schokschade. [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 105.939,67, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 18.439,67,- aan materiële schade en € 87.500,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit € 250,- aan kleding die [slachtoffer 3] aanhad ten tijde van geweldsincident, € 35,- aan vergoedingskosten voor het verblijf in het ziekenhuis, € 375,- aan eigen risico, € 419,- aan schade aan haar bril, € 1.232,00 aan kosten in verband met huishoudelijke hulp, € 1.128,67 aan kosten in verband met de operatie van de hond en € 15.000,- aan nader te onderbouwen materiële schade. De immateriële schade bestaat uit € 20.000,- aan affectieschade, € 17.500,- aan schade vanwege de aantasting in persoon en € 50.000,- aan schokschade. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 89.599,66, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 4.599,66 aan materiële schade en € 85.000,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit € 200,- aan kleding die [slachtoffer 2] aanhad ten tijde van geweldsincident, € 70,- aan vergoedingskosten voor het verblijf in het ziekenhuis, € 385,- aan eigen risico, € 89,- aan schade aan zijn bril en € 3.855,66 aan kosten verbonden aan de verhuizing. De immateriële schade bestaat uit € 17.500,- aan affectieschade, € 17.500,- aan schade vanwege de aantasting in persoon en € 50.000,- aan schokschade [naam 7] en [naam 8] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding van € 7.872,44, geheel bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De schade bestaat uit € 756,-aan mantelzorg, € 972,- aan kosten voor de opvang van [naam 6] , € 55,- aan reis- en parkeerkosten, € 161,94 aan kosten voor onder meer kleding die zij hebben gekocht voor de eerste opvang na het incident, € 1.756,01 aan kosten in verband met een verbouwing aan hun huis, € 168,49 aan overige gemaakte kosten en € 4.000,- aan nader te onderbouwen materiële schade. [naam 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, geheel bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen worden allen bijgestaan door hun advocaat, de heer mr. P.R. Hogerbrugge. 7.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met uitzondering van de door [naam 6] , [slachtoffer 3] en [naam 7] en [naam 8] ingediende posten die zien op de nader te onderbouwen materiële schade en de door [slachtoffer 3] gevorderde schade in verband met de operatie van de hond. Voor deze posten dienen de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard te worden. Verder kan, wat de officier van justitie betreft, voor ieder van de vorderingen van de benadeelde partijen de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. 7.2. Het standpunt van de verdediging Met betrekking tot de vorderingen van [naam 6] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding vanwege de aantasting in persoon ten bedrage van € 30.000,- dient te worden afgewezen, dat de gevorderde nader te onderbouwen materiële schade ad € 15.000,- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat de posten die betrekking hebben op de schokschade en het gemiste levensonderhoud dienen te worden gematigd. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft zij geen opmerkingen gemaakt. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw betoogd dat de post die betrekking heeft op de operatie van de hond ad € 1.128,67 dient te worden afgewezen, dat de gevorderde nader te onderbouwen materiële schade voor een bedrag van € 15.000,- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat de posten ter zake van de schokschade en de aantasting in persoon dienen te worden gematigd. Aangaande de overige schadeposten heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt. Ter zake van de vorderingen van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat de gevorderde vergoeding van affectieschade ten bedrage van € 17.500,- dient te worden afgewezen, dat de gevorderde vergoeding van schokschade ad € 50.000,- dient te worden afgewezen althans te worden gematigd, dat de post die ziet op de kosten vanwege de verhuizing voor een bedrag van € 3.855,66 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat gevorderde schade vanwege aantasting van de persoon dient te worden gematigd. Ten aanzien van de overige schadeposten heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt. Met betrekking tot de vorderingen van [naam 7] en [naam 8] heeft de raadsvrouw bepleit dat de posten die zien op de mantelzorg, de reis-en parkeerkosten, de gekochte kleding en de overige kosten volgens haar niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aangaande de overige schadeposten heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt. De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de gevorderde affectieschade door [naam 9] . 7.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal hierna eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen afzonderlijk zullen worden beoordeeld. 7.3.1. Juridisch kader Schadevorderingen in het strafproces De benadeelde partij kan op grond van artikel 51f in verbinding met 361, lid 2, aanhef en onder b, Sv in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.3.1). Schade Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95, lid 1, BW). Immateriële schadevergoeding – aantasting in de persoon Met betrekking tot dit ‘ander nadeel’ bepaalt artikel 6:106, aanhef en onder b, BW dat een benadeelde onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5). Immateriële schadevergoeding – schokschade Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan ook sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (zogenoemde ‘schokschade’). Voor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7). In het arrest van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 heeft de Hoge Raad overwogen dat sprake kan zijn van samenloop van schokschade en affectieschade. Het is dan aan de rechter om af te wegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening wordt gehouden met affectieschade. Dat een precieze afbakening tussen schokschade en affectieschade doorgaans niet mogelijk zal zijn, staat er niet aan in de weg dat de rechter schattenderwijs vaststelt welk bedrag als vergoeding van schokschade voor toewijzing in aanmerking komt (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1495). Affectieschade Artikel 6:108, lid 3, BW biedt in geval van overlijden aan de in lid 4 genoemde nabestaanden een recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade ter hoogte van een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag (zogenoemde ‘affectieschade’). Het recht hierop beoogt in de eerste plaats erkenning te verschaffen voor het door nabestaanden ondervonden leed en in de tweede plaats genoegdoening in die zin dat hun geschokte rechtsgevoel wordt verzacht doordat van de aansprakelijke een opoffering wordt verlangd. De bedragen zijn vastgesteld bij besluit van 20 april 2018, Stb. 2018/133 (hierna: Besluit vergoeding affectieschade). De in artikel 6:108, lid 4, BW genoemde opsomming ziet op personen die geacht mogen worden een zeer nauwe affectieve band met het slachtoffer te hebben. Hiertoe behoren op grond van lid 4 van dat artikel de ouders (onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.