ECLI:NL:RBDHA:2024:13440
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19698 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema), en de minister van Asiel en Migratie (dan wel diens rechtsvoorganger), (gemachtigde: J.A.C.M. Prins).
Inleiding 1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. E. Berger als waarnemer van de gemachtigde van eiser, J. Alkinani als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
De rechtbank merkt allereerst op dat de beroepsgronden op meerdere punten een herhaling van de zienswijze betreft. In de beroepsgronden is op meerdere punten niet duidelijk gemaakt waarom het bestreden besluit hierop geen voldoende of adequate reactie betreft.
Correcties en aanvullingen niet meegenomen 5. Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit blijkt dat de gemaakte correcties en aanvullingen niet zijn meegenomen. Dit levert een schending op van de motiveringsplicht en zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 en artikel 3:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Grondslag claimakkoord 7. Eiser voert aan dat de grondslag van het claimakkoord, artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, maakt dat Kroatië haar verantwoordelijkheid voor de behandeling van zijn asielverzoek niet heeft erkend. Kroatië heeft het terugnameverzoek geaccepteerd "in order to continue to determine responsibility for the person mentioned above." Omdat de termijnen voor Kroatië om op grond van de Dublinverordening nog te claimen op een andere lidstaat verstreken zijn, had geen akkoord kunnen worden gegeven op grond van het voorwaardelijke artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Kroatië handelt daarmee in strijd met het doel van de Dublinverordening, de snelle behandeling van de asielaanvraag.
Uitholling voorbereidingsprocedure 9. Eiser voert aan dat de minister een standaard voornemen heeft gebruikt, die niet is toegespitst op de situatie van eiser. Door het nemen van een standaardvoornemen is niet kenbaar dat de belangen van eiser voldoende in acht zijn genomen. Het is daardoor niet duidelijk waar eiser precies op kan reageren. Het voornemen is van cruciaal belang in de procedure, eiser kan zijn rechten niet volledig benutten met standaardvoornemen. De minister heeft hierdoor artikel 5 van de Dublinverordening geschonden. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023 is niet relevant, omdat die zag op de omvang van het voornemen.
Schending informatieplicht 12. Eiser voert aan dat de informatieplicht als bedoeld in artikel 4 van de Dublinverordening is geschonden. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat eiser zelf had moeten aangeven tijdens het aanmeldgehoor als hij niet onvoldoende informatie heeft gehad. De informatieplicht ligt namelijk bij de minister.
2 ECLI:NL:RVS:2023:4348.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel 14. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft in Kroatië dan wel zijn vingerafdrukken afgegeven, maar hij is niet in de gelegenheid gesteld om daadwerkelijk asiel aan te vragen. Eiser is gedwongen om zijn vingerafdrukken af te geven doordat hij met een knuppel werd geslagen, daarna is hij heengezonden. Door eiser het recht op asiel te onthouden, schendt Kroatië zijn internationale verplichtingen. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de factsheet van de EUAA van mei 2023. Daarnaast loopt eiser risico op een pushback vanuit Kroatië. Eiser verwijst hiertoe naar meerdere bronnen.3 Eiser wijst erop dat het rapport van CPS dateert van ná de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2024 en de minister is hier niet inhoudelijk op ingegaan in het bestreden besluit.
Verder is de informatie van de Kroatische autoriteiten onbetrouwbaar. Het onderzoek van de minister naar de situatie in Kroatië bestaat hoofdzakelijk uit het stellen van vragen aan de Kroatische autoriteiten. Niet valt in te zien hoe de minister erbij komt dat dit een objectieve bron zou zijn. De Kroatische autoriteiten stellen in hun brief aan de minister van 15 november 2022 dat zij zich nooit schuldig hebben gemaakt aan pushbacks. Dit is een evidente leugen, de pushbacks zijn uitgebreid gedocumenteerd. Als de Kroatische autoriteiten pushbacks ontkennen, kan ook niet uitgegaan worden van de overige informatie die deze autoriteiten verschaffen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 29 februari 20244 en de einduitspraak van de rechtbank Den Bosch (MK), van 27 maart 20245 blijkt dat er een sterkere onderzoeks- en samenwerkingsplicht is voor de minister.
Onder bepaalde omstandigheden moeten de autoriteiten uit eigen beweging nagaan of uit openbare informatie aanwijzingen volgen dat de vreemdeling risico loopt.
3 De factsheet uitgebracht door de Kroatische Centre for Peace Studies (CPS) op 19 januari 2024, het Black Book of Pushbacks van Border Violence Monitoring Network (BVMN) van maart 2023, 9 januari 2024 en 6 februari 2024, het artikel van Aljazeera van 4 december 2019, het AIDA-rapport over Kroatië (Update 2022), de vaststelling van de EU-ombudsman van tekortkomingen in de toezicht op grensprocedure van 2022 en het grondrechtenrapport van de FRA van 8 juni 2023.
4 ECLI:EU:C:2024:195.
5 ECLI:NL:RBDHA:2024:4267.
6 Arrest van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
De Afdeling heeft hierin echter geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de (overige) door de Kroatische autoriteiten verstrekte informatie over de positie van Dublinclaimanten. De Afdeling heeft in haar uitspraak ook de getuigenissen van BVMN8 betrokken, en overwogen dat daaruit niet blijkt dat deze getuigenissen afkomstig zijn van Dublinclaimanten.9 Ook in de meer recente BVMN-rapporten en de notitie van CPS van 19 januari 2024 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat, anders dan de Kroatische autoriteiten hebben vermeld, Dublinclaimanten na overdracht te maken krijgen met pushbacks. Het standpunt van eiser dat de notitie van CPS van 19 januari 2024 niet zou zijn meegenomen in het bestreden besluit, volgt de rechtbank niet.
Op pagina 8 van het bestreden besluit gaat de minister hierop in. Daarnaast dateert de informatie uit dit rapport van 2020 en 2021, terwijl in de beslisnota10 waar eiser naar verwijst, is te lezen dat CPS inmiddels een verbetering heeft gesignaleerd is sinds de periode 2020 en 2021. Evenmin is hieruit gebleken dat de asielaanvragen van Dublinclaimanten niet of onzorgvuldig worden behandeld en dat zij geen toegang zullen krijgen tot opvang. De verwijzing naar de vaststelling van de EU-ombudsman van tekortkomingen in de toezicht op grensprocedure van 2022, maakt nog niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een reel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Eiser wordt middels een claimakkoord overgedragen, zodat het voor de Kroatische autoriteiten duidelijk is dat eiser een Dublinclaimant is.
8 De rechtbank veronderstelt, gelet op de uitspraakdatum, dat de Afdeling hier van het BVMN rapport van 8 mei 2023, over de maand maart 2023, is uitgegaan.
9 ECLI:NL:RVS:2023:3411, onder 2.5.
10 Brief aan de Tweede Kamer van 20 januari 2023, ‘Dublinoverdrachten aan Kroatië’ (4392659) en bijbehorende Beslisnota bij Kamerbrief inzake Dublinoverdrachten aan Kroatië van 21 december 2022 (4392657). gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië niet in staat zal worden gesteld om een asielaanvraag in te dienen en factsheet onderbouwd niet het standpunt dat dit anders is.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening 19. Eiser voert aan dat de minister in de beschikking geen antwoord geeft op de opmerking van eiser dat hij onvoldoende kans heeft gekregen om zijn hele verhaal te vertellen. Zijn ervaringen moeten worden meegewogen in het oordeel omtrent toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser verwijst hiertoe naar meerdere uitspraken.11 20. De rechtbank overweegt dat eiser zijn verklaringen zoals afgelegd in het aanmeldgehoor nog nader heeft kunnen aanvullen en ook op zitting heeft eiser nog een verklaring afgelegd. Indien eiser onvoldoende kans zou hebben gehad om in het aanmeldgehoor zijn hele verhaal te doen dan is hij in de gelegenheid gesteld zijn verhaal later aan te vullen. De minister heeft in zijn (aanvullende) verklaringen geen aanleiding gezien om de behandeling van de aanvraag naar zich toe te trekken.
Conclusie en gevolgen 24. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 juli 2024 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.