RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.33373 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 2 september 2024 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. J.L. Crutzen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Faddach). Zitting hebben: mr. S. van Lokven, rechter, mr. S.C. Mellendijk - Leinders, griffier Procesverloop Verweerder heeft op 24 augustus 2024 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel. Dit beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en in persoon gehoord, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aansluitend aan de behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan en een akte van opheffing opgemaakt om eiser in vrijheid te stellen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser; - beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000 en dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. Eiser is geregistreerd met verschillende geboortedata. 2. Eiser is, aansluitend aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende straf, op 24 augustus 2024 in bewaring gesteld krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van de Vw. 3. Eiser heeft ter zitting als gronden aangevoerd dat de maatregel moet worden opgeheven omdat deze niet is ondertekend en omdat inmiddels moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel vanwege de psychische problemen die hij ondervindt in bewaring. Deze gronden slagen niet. 4. De rechtbank heeft eiser medegedeeld dat bij de voorbereiding van de behandeling van een bewaringsberoep een eerste rechtmatigheidsbeoordeling plaatsvindt en daarbij ook wordt nagegaan of de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring is gesteld digitaal is ondertekend voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. De rechtbank heeft verweerder verzocht dit ter zitting aan (gemachtigde van) eiser te tonen. De gemachtigde van eiser heeft hierop bevestigd dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. 5. De rechtbank overweegt voorts dat eiser met medische problematiek kampt, wat zich met name uit in het voortdurend horen van stemmen. Dit heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel verklaard en ter zitting ook op vragen van de rechtbank bevestigd en nader toegelicht. De rechtbank stelt vast dat het bewaringsgehoor zorgvuldig heeft plaatsgevonden, dat er genoeg vragen aan eiser zijn gesteld over zijn fysieke en psychische conditie en dat ook aan eiser is uitgelegd dat in het DTC medische zorg beschikbaar is. De rechtbank stelt ook vast dat deze problematiek is benoemd in de maatregel en deugdelijk is gemotiveerd waarom de psychische problematiek niet in de weg staat aan de oplegging van de maatregel. Verweerder heeft -in dit geval- kunnen volstaan met het benoemen van de in bewaring geboden zorg en de mogelijkheid om andere zorg buiten het DTC te bieden en de overweging dat eiser daarom de noodzakelijke zorg zal kunnen verkrijgen. Verweerder heeft ook benoemd en gemotiveerd dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is vanwege deze problematiek. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven bij een bezoek aan eiser te hebben waargenomen dat eiser zichzelf had gesneden en dat daarom alsnog moet worden volstaan met een lichter middel. De rechtbank heeft eiser gevraagd of hij in staat en bereid is hierover nader te verklaren ter zitting. Eiser heeft verklaard dat hij zich eenmaal heeft gesneden maar dat dit niet recent is geweest en dat hij vooral problemen ervaart door het horen van stemmen. Eiser heeft hieraan toegevoegd dat deze problematiek tijdens zijn verblijf in Europa is ontstaan en dat hij geregeld en in verschillende lidstaten asiel aanvraagt om zodoende gedurende de asielprocedure medische zorg te ontvangen. De rechtbank heeft deze situatie met eiser besproken en tevens uitgelegd dat deze, op zichzelf schrijnende situatie, moet worden betrokken bij de rechtmatigheidsbeoordeling, maar niet betekent dat hij nooit in bewaring mag worden gesteld en gehouden. De rechtbank heeft voorts met eiser(s gemachtigde) besproken dat DT&V geen toegang heeft tot het medische dossier van eiser en dat eiser zijn medische problematiek en hulpvraag om die reden zelf naar voren moet brengen bij bijvoorbeeld de regievoerder, zodat steeds zorgvuldig kan worden beoordeeld of de voortduring van de bewaring gerechtvaardigd is. De rechtbank beschikt niet over een uitdraai van het patiëntendossier van eiser en ziet, gelet op de verklaringen van eiser over zijn problematiek en de medische zorg die hij thans ontvangt in het DTC, op dit moment geen aanleiding om deze uitdraai zelf op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet omdat verweerder niet (alsnog) heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. 6. De rechtbank zal het beroep op grond van het aanvullend verrichte ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek evenwel gegrond verklaren en eiser onmiddellijk in vrijheid stellen. De rechtbank komt namelijk tot de conclusie dat de grondslag voor de bewaringsmaatregel gedurende de tenuitvoerlegging is komen te vervallen. De rechtbank motiveert dit als volgt. 7. De maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van de Vw. Artikel 59b Vw luidt, voor zover relevant voor de onderhavige procedure, als volgt: 1 De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien: a. (…) b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking; c. de vreemdeling: 1°.in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn; 2°.reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en 3°.op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn. (…) 8. Verweerder heeft de grondslag in de maatregel als volgt gemotiveerd. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van de door eiser ingediende asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), daaraan zes zogenoemde zware gronden en vier zogenoemde lichte gronden ten grondslag gelegd. In de maatregel zijn deze gronden onderbouwd en is gemotiveerd waarom uit deze gronden een onttrekkingsrisico blijkt. Een (nadere) motivering van welke gegevens ten tijde van de oplegging van de maatregel noodzakelijk worden geacht om de asielaanvraag te kunnen beoordelen ontbreekt. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw In de maatregel heeft verweerder overwogen dat eiser in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn; eiser reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en op redelijke gronden aangenomen kan worden dat de aanvraag van betrokkene louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Verweerder heeft in de maatregel omstandigheden benoemd om dit te onderbouwen. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw In de maatregel heeft verweerder overwogen dat eiser “een actueel gevaar vormt voor de openbare orde omdat deze verdacht wordt of is veroordeeld in verband met een misdrijf ter zake heling en diefstal; gepleegd op/in de periode 15-07-2021.” Voorts is vermeld dat eiser meerdere malen is veroordeeld “voor misdrijven binnen Nederland”, waarbij is vermeld dat eiser is “veroordeeld voor art. 310 Sr”. 9. Deze drie in artikel 59b, eerste lid, van de Vw genoemde grondslagen kunnen los van elkaar voldoende zijn om de oplegging van de maatregel te rechtvaardigen. Indien de maatregel op een of meerdere van deze grondslagen rechtmatig kan worden opgelegd, betekent dit echter niet dat de maatregel zonder meer en zonder nadere beoordeling steeds kan voortduren totdat de eveneens in artikel 59b van de Vw uitdrukkelijk genoemde (verlengde) maximale duur van de tenuitvoerlegging is bereikt. Indien voor de voortduring van de bewaringsmaatregel een maximale duur is bepaald, betekent dit immers slechts dat na ommekomst van die duur de tenuitvoerlegging van de maatregel op die specifieke grondslag in ieder geval onrechtmatig wordt en dus moet worden opgeheven. De rechtbank heeft verweerder ter zitting ten aanzien van de drie specifieke grondslagen vragen gesteld om de rechtmatigheid van de oplegging en voortduring van de maatregel te onderzoeken. 10. De rechtbank heeft verweerder allereerst voorgehouden dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw moet worden getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium en dat dit een nadere toelichting vereist gelet op de aard van de strafbare feiten waarvoor eiser blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is veroordeeld en gelet op de motivering in de maatregel. Verweerder heeft daarop desgevraagd aangegeven dat eiser geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn en dat dit dan ook ten onrechte aan de oplegging van de maatregel ten grondslag is gelegd. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie en dus had eiser niet op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw in bewaring kunnen worden gesteld. 11. De rechtbank heeft verweerder vervolgens voorgehouden dat eiser reeds een asielaanvraag had ingediend en dat deze asielprocedure aanhangig was op het moment dat eiser in bewaring is gesteld. De vraagt komt dan op of eiser in bewaring kan worden gesteld omdat hij “in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn”. Verweerder heeft aangegeven dat deze grond van toepassing kan worden geacht. Eiser is namelijk op 1 augustus 2024 in bewaring gesteld en deze maatregel is opgeheven in verband met de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Eiser is vervolgens overgedragen aan de vreemdelingenketen en opnieuw in bewaring gesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, omdat eiser steeds in de macht van de autoriteiten is geweest, de eerdere maatregel mag worden betrokken bij het bepalen van de grondslag van de nieuwe maatregel. De rechtbank volgt dit niet zonder meer. 12. Bij het opleggen van de eerste maatregel was reeds duidelijk, althans had duidelijk kunnen zijn dat eiser was veroordeeld en aan hem een vrijheidsontnemende straf was opgelegd. Verweerder had dit eenvoudig kunnen nagaan door een uittreksel uit de justitiële documentatie op te vragen. Omdat verweerder eiser in bewaring had gesteld en vervolgens is gebleken dat de gevangenisstraf nog ten uitvoer moest worden gelegd, is de (eerste) bewaringsmaatregel opgeheven. Aansluitend aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is eiser opnieuw in bewaring gesteld. De periode dat de vrijheidsontneming van eiser op een strafrechtelijke titel heeft plaatsgevonden wordt gekwalificeerd als “strafonderbreking”. Van een onderbreking van “de vreemdelingenbewaring” is echter geen sprake. De eerste maatregel is immers opgeheven en vervolgens is een nieuwe maatregel opgelegd. Deze nieuwe maatregel moet ook aan alle rechtmatigheidsvereisten voor de oplegging voldoen en alle procedurele waarborgen moeten wederom integraal in acht worden genomen om de oplegging rechtmatig te kunnen achten. Voor de stelling dat er andere of lichtere vereisten zouden gelden bij de oplegging van een nieuwe maatregel na een zogenoemde strafonderbreking, bestaat geen rechtsgrond of andere rechtvaardiging. Bovendien was de eerste maatregel (óók) opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser werd dus in de periode voorafgaand aan de strafonderbreking niet in bewaring gehouden op grond van de Terugkeerrichtlijn toen hij zijn asielaanvraag indiende. De rechtbank leest artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw zo dat deze bepaling alleen als grondslag voor een bewaringsmaatregel kan dienen als de asielaanvraag wordt gedaan terwijl de vreemdeling in bewaring wordt gehouden op grond van de Terugkeerrichtlijn. Een eerdere reeds afgesloten terugkeerprocedure in bewaring is dus geen omstandigheid die een bevoegdheid geeft voor een (nieuwe) maatregel op deze grondslag. Uit het dossier blijkt overigens niet dat eiser op enig moment voorafgaand aan deze ononderbroken periode van vrijheidsontneming op verschillende grondslagen in bewaring is gesteld ter fine van uitzetting. 13. De rechtbank baseert haar oordeel allereerst op de bewoordingen van deze bepaling. In artikel 59b, eerste lid , aanhef en onder c, van de Vw wordt gerefereerd aan de situatie dat “de vreemdeling in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure (…)”. In artikel 8, derde lid aanhef en onder d, van de Opvangrichtlijn, waarvan artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw de implementatie is, is echter bepaald “indien hij ter voorbereiding van de terugkeer en/of ter uitvoering van het verwijderingsproces in bewaring wordt gehouden in het kader van een terugkeerprocedure (…)(in de Engelse taalversie: “ when he or she is detained subject to a return procedure”). Omdat artikel 8 van de Opvangrichtlijn betrekking heeft op verzoekers om internationale bescherming, leidt de rechtbank ook af dat artikel 8, derde lid aanhef en onder d van de Opvangrichtlijn, ziet op de asielaanvraag die de vreemdeling indient op het moment dat hij in bewaring wordt gehouden uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn en dus door deze asielaanvraag op dat moment “een verzoeker overeenkomstig de Procedurerichtlijn” wordt. 14. Direct voorafgaand aan de oplegging van de maatregel is eiser uit de strafrechtketen overgenomen, terwijl op dat moment zijn asielprocedure reeds was aangevangen. Eiser heeft dus niet “vanuit bewaring ter fine van terugkeer” een asielaanvraag gedaan. De huidige asielprocedure is weliswaar ingeleid met een opvolgende aanvraag, zodat duidelijk is dat eiser reeds eerder de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en van die mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt. Echter, ook indien de reeds gedane opvolgende aanvraag zou zijn ingediend om de mogelijke uitvoering van een eerder opgelegd terugkeerbesluit uit te stellen, kan de maatregel niet op deze grondslag worden opgelegd indien eiser op het moment van indienen van de aanvraag niet in bewaring is gesteld uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser niet in bewaring kon worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. 15. Ten aanzien van de vraag of eiser in bewaring gesteld en thans gehouden kan worden op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw overweegt de rechtbank als volgt. 16. Bij besluit van 29 oktober 2020 is de asielaanvraag van eiser van 9 augustus 2020 afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit staat in rechte vast. Eiser is op 1 augustus 2024 door de Duitse autoriteiten aan Nederland overgedragen en heeft vervolgens een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft eiser op 1 augustus 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Deze maatregel is door verweerder op 7 augustus 2024 opgeheven in verband met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende straf. Het beroep tegen deze op 1 augustus 2024 opgelegde bewaringsmaatregel is door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard op 16 augustus 2024 (NL24.30422, niet gepubliceerd, wel bij partijen en beide gemachtigden bekend). 17. Op 12 augustus 2024 heeft verweerder, na eiser te hebben gehoord, het voornemen uitgebracht om de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren omdat eiser geen relevante nieuwe feiten en/of bevindingen heeft aangevoerd. In het voornemen is vermeld dat “eiser heeft verklaard dat er niets is veranderd sinds de vorige procedure en dat hij destijds alles heeft verzonnen”. Uit het voornemen blijkt dat eiser geen correcties en aanvullingen heeft gediend, maar tevens is aangegeven dat eiser die alsnog kan meesturen met de zienswijze. In het voornemen is vermeld dat eiser binnen twee weken nadat hij dit voornemen heeft gekregen een zienswijze kan indienen en dat, indien eiser dit niet tijdig doet, er zonder zienswijze op de aanvraag kan worden beslist. 18. Verweerder heeft kort voorafgaand aan de behandeling ter zitting de beschikking van 1 september 2024 op de asielaanvraag van eiser overgelegd. In deze beschikking is vermeld dat eiser geen correcties en aanvullingen, maar wel een zienswijze heeft ingediend. Verweerder heeft ter zitting, desgevraagd, aangegeven dat namens eiser op 23 augustus 2024 is verzocht om uitstel voor het indienen van een zienswijze en dat deze uiteindelijk op 29 augustus 2024 is ingediend. De rechtbank heeft hierop opgemerkt het onbegrijpelijk te vinden dat de (andere) gemachtigde, die eiser bijstaat in de asielprocedure, verzoekt om uitstel voor het indienen van een zienswijze, terwijl haar cliënte in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dit is des te meer onbegrijpelijk nu in de zienwijze, zo is vermeld in het besluit, enkel is aangegeven “dat wordt berust in het voornemen om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren omdat er immers geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd”. 19. De rechtbank overweegt dat, gelet op deze concrete feiten en omstandigheden, de vraag opkomt of eiser in bewaring kon worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en meer in het bijzonder, of eiser ten tijde van de rechtmatigheidsbeoordeling door de rechtbank op deze grondslag in bewaring kan worden gehouden. 20. De rechtbank merkt voorafgaand aan deze rechtmatigheidsbeoordeling op dat uit het dossier blijkt dat aan eiser, voordat hij is overgenomen van de Duitse autoriteiten, reeds een terugkeerbesluit was opgelegd. Een eventuele nadien opgelegde bewaringsmaatregel op de zogenoemde asielgrondslag is echter op zichzelf niet onverenigbaar met artikel 5 EVRM. In het geval van eiser is dan geen sprake van het voorkomen van een (juridische) illegale inreis, maar van een bewaring die relevant is voor een mogelijk gedwongen terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. 21. De rechtbank overweegt ook dat de opvolgende asielprocedure, die is aangevangen op de dag dat de eerste bewaringsmaatregel is opgelegd, niet is gestaakt of geschorst gedurende de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Dat eiser is overgenomen uit het strafrecht en dat hij reeds daarvoor een asielaanvraag had gedaan staat dus op zichzelf ook niet in de weg aan “een inbewaringstelling op de asielgrond”. 22. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de oplegging van de maatregel de asielprocedure van eiser nog niet was afgerond en dat sprake was een onttrekkingsrisico. Ook was ten tijde van de oplegging van de maatregel de termijn om een zienswijze in te dienen nog niet verstreken. De oplegging van de maatregel was dan ook gerechtvaardigd op de grond dat bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van de asielaanvraag van eiser. 23. De rechtbank heeft verweerder de vraag voorgehouden of de bewaring op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw gerechtvaardigd is gebleven vanaf het moment van verkrijging van de zienswijze tot het moment van het nemen van het besluit op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank heeft hierbij toegelicht dat de bewoordingen van de grondslag aanduiden dat de bewaring gerechtvaardigd kan zijn om gegevens te verkrijgen en niet om gegevens te beoordelen. 24. Eiser heeft, zoals in het voornemen is vermeld, in zijn gehoor opvolgende aanvraag verklaard opnieuw asiel aan te vragen zodat hij, zodra dit is afgewezen, Nederland kan verlaten en naar Spanje kan vertrekken om daar asiel aan te vragen. In het gehoor dat op 24 augustus 2024 voorafgaand aan de oplegging van de maatregel heeft plaatsgevonden, heeft eiser niets verklaard over zijn asielmotieven en de aanhangige asielprocedure. Uit de M110 blijkt dat aan eiser geen vragen zijn gesteld over zijn asielprocedure, over of hij op de hoogte is van het voornemen en de inhoud daarvan en of hij nog een zienswijze gaat indienen. Aan eiser is daarentegen gevraagd “hoe hij tegenover de uitzetting naar Algerije staat” en of “hij van plan is om terug te keren naar Algerije”. Aan eiser is tevens gevraagd of hij “nog achter uw vorige verklaring bij mijn collega’s staat of een volledig nieuwe verklaring wil afleggen? ” Nadat eiser heeft verklaard “wat U wilt mevrouw” heeft de hoormedewerker opgemerkt “dan gebruik ik de vorige verklaring en stel ik een aantal verdiepende vragen. De rechtbank overweegt dat deze wijze van horen nauwelijks kan worden gekwalificeerd als een deugdelijk onderzoek naar de vraag of de oplegging van een maatregel noodzakelijk is, daargelaten dat in dit gehoor geen vragen worden gesteld die verband houden met de grondslag waarop de maatregel vervolgens is gestoeld. Verweerder heeft ter zitting hierover opgemerkt dat uit een intern stuk blijkt dat er wel telefonisch contact is opgenomen met de IND over de asielprocedure. In de maatregel blijkt hier echter niet van. 25. In het bewaringsgehoor is weliswaar gerefereerd aan een asielprocedure, maar uitsluitend met de vraag “In uw verklaring bij de IND geeft u aan over asiel in Spanje. Bent u van plan naar Spanje te gaan?”. De vraag aan eiser “Heeft u nog aanvullingen?” heeft, zo leidt de rechtbank af uit de verslaglegging van het gehoor, betrekking op de vraag of een bewaringsmaatregel zal worden opgelegd en niet op de asielprocedure en mogelijke aanvullingen die mogelijk noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. 26. In het bewaringsgehoor is niet aan eiser gevraagd of hij nog een zienswijze wil indienen en of hij dus nog uit eigen beweging feiten en omstandigheden zal aandragen die relevant zijn voor de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag. 27. De rechtbank overweegt dat ten tijde van de oplegging van de maatregel op 24 augustus 2024 er geen zienswijze in de asielprocedure was ingediend, maar dat de termijn om dat te doen nog niet was verstreken. Ondanks de motieven voor de opvolgende asielaanvraag en de inhoud van het gehoor, had eiser in de zienswijze dus nog nadere informatie kunnen aandragen die relevant was om zijn asielaanvraag te onderbouwen. 28. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en de fase waarin de asielprocedure zich bevond ten tijde van oplegging van de maatregel, heeft de rechtbank tijdens het onderzoek ter zitting aangegeven dat de oplegging van de maatregel aldus gerechtvaardigd was, maar dat de vraag opkomt tot wanneer de bewaring noodzakelijk is geweest met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van de opvolgende asielaanvraag van eiser. De rechtbank overweegt dat de fase van het verkrijgen van informatie in de asielprocedure niet noodzakelijkerwijs samenvalt met het beslissen op de aanvraag en dat het in de onderhavige procedure dus de vraag is of de tenuitvoerlegging van de bewaring tot aan het onderzoek ter zitting op deze grondslag gerechtvaardigd is. 29. De rechtbank heeft hierbij aangegeven dat het onttrekkingsrisico deugdelijk is gemotiveerd en dat alleen ten onrechte is vermeld dat de strafrechtelijke antecedenten het risico op onttrekking onderbouwen gelet op de strafbare feiten waarvoor eiser is veroordeeld. De overige zware en lichten gronden onderbouwen, zoals ook in de maatregel is gemotiveerd, het onttrekkingsrisico. 30. De rechtbank heeft ter zitting benoemd ermee bekend te zijn dat de Afdeling artikel 59b, eerste lid aanhef en onder b, van de Vw anders uitlegt. 31. De Afdeling heeft bijvoorbeeld in haar uitspraak van 4 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:230) onder meer het navolgende overwogen: (…) 3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710, onder 10.3, volgt uit de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn (PB 2013 L 180), "om gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]" dat deze grondslag uitsluitend is bedoeld voor de duur van de behandeling van het asielverzoek, tot aan de beslissing daarop door de staatssecretaris. Deze uitleg vindt ook steun in de omzetting door de wetgever van deze bepaling in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Uit de bewoordingen "[…] gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag […]" blijkt immers nog duidelijker dat artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, dat is omgezet in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, niet geschikt is als grondslag voor vrijheidsontneming na afwijzing van het asielverzoek door de staatssecretaris. (…) 32. Het oordeel van de Afdeling dat deze grondslag de voortduring van de maatregel rechtvaardigt tot aan de beslissing op het asielverzoek als er sprake is van een onttrekkingsrisico, is in meerdere uitspraken herhaald. De Afdeling overweegt daarbij tevens dat een bewaringsmaatregel krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw onrechtmatig wordt op de dag nadat de asielaanvraag is afgewezen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 3 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1291), 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:110) en 5 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:430), waaruit volgt dat de bewaring dan moet worden opgeheven, al dan niet gevolgd door de oplegging van een nieuwe maatregel op een andere grondslag. 33. Uit de vaste Afdelingsjurisprudentie volgt ook dat de motivering van deze grondslag beperkt kan blijven tot het motiveren van het onttrekkingsrisico omdat daarmee gegeven is dat de bewaring noodzakelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2852 en de hiervoor genoemde uitspraak van 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230). 34. De rechtbank overweegt echter, anders dan de Afdeling, dat uit de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, "om gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]" niet volgt dat deze grondslag is bedoeld voor de duur van de behandeling van het asielverzoek tot aan de beslissing daarop door de minister, voorheen staatssecretaris. 35. In artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn is het navolgende bepaald: (…) 3. Een verzoeker mag alleen in bewaring worden gehouden: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.