RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.6130 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2024 in de zaak tussen [eiser 1] , v-nummer: [nummer 1] , [eiser 2] , v-nummer: [nummer 2] , [eiser 3] , v-nummer: [nummer 3] , [eiser 4] v-nummer: [nummer 4] , [eiser 5] v-nummer: [nummer 5] , [eiser 6] , v-nummer: [nummer 6] , [eiser 7] , v-nummer: [nummer 7] , samen: eisers (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om wijziging van een geldige verblijfsvergunning naar een ander verblijfsdoel, namelijk het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’ ( [eiser 6] ) en ‘familie en gezin’ (de overige eisers). De minister heeft de aanvragen met het primaire besluit van 21 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 februari 2023 heeft de minister het bezwaar dat eisers tegen dat besluit hebben gemaakt, ongegrond verklaard. 1.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een reactie op dit verweerschrift gegeven. 2. De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het bestreden besluit is namelijk op meerdere onderdelen onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers legt de rechtbank hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. Voordat zij de beroepsgronden bespreekt, geeft de rechtbank eerst weer wat aan de onderhavige aanvragen voorafging en waarom eisers deze aanvragen hebben ingediend (onder 4 tot en met 4.2). Vervolgens gaat de rechtbank in op de besluitvorming die hangende deze procedure heeft plaatsgevonden vanwege de medische situatie van [eiser 5] en wat dat voor dit beroep betekent (onder 5 tot en met 7). De rechtbank schetst daarna kort de kern van het geschil zoals dat bestond (onder 8). Dan volgt een uiteenzetting van de bestreden besluitvorming en het standpunt in het verweerschrift (onder 9 tot en met 11), het gewijzigde standpunt dat de minister op de zitting heeft ingenomen (onder 12) en wat dat betekent voor het beroep (onder 12.1 en 12.3). Vervolgens gaat de rechtbank over tot de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van eisers, namelijk of de minister kon volstaan met één besluit voor alle gezinsleden (onder 13 en 13.1), of de minister de juiste toetsingsvolgorde heeft gehanteerd (onder 14 tot en met 14.2), of eisers moeten beschikken over een geldige mvv (onder 15 met 15.2) en of eisers hadden moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste (onder 16 tot en met 18.1) Tot slot volgt er een eindconclusie (onder 19). 3.2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Wat aan de aanvragen vooraf ging en waarom de aanvragen zijn ingediend 4. Eisers hebben de Sierra Leoonse nationaliteit. Zij behoren tot een (samengesteld) gezin. De vader, [eiser 1] , is Nederland op 2 juli 2017 ingereisd. Zijn echtgenote, [eiser 2] , en hun biologische kinderen, [eiser 5] en [eiser 4] , volgden op 23 juli 2017. [eiser 3] , [eiser 1] biologische zoon uit een eerdere relatie, is Nederland op 8 mei 2018 ingereisd en [eiser 2] ’s biologische zoon uit een eerdere relatie, [eiser 7] , volgde op 20 januari 2019. Dochter van [eiser 1] en [eiser 2] , [eiser 6] , is in Nederland geboren. Eisers zijn vanwege de werkzaamheden van [eiser 1] voor de Verenigde Naties (VN) door het ministerie van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een document voor geprivilegieerden (een diplomatieke verblijfskaart) op basis van het Verdrag van Wenen, geldig tot 2 april 2022. Toen het einde van het dienstverband van [eiser 1] in zicht kwam, waarmee de grondslag voor het verblijf van eisers in Nederland zou komen te vervallen, hebben eisers de onderhavige aanvragen om wijziging van hun verblijfsvergunning naar een ander verblijfsdoel ingediend. Voor [eiser 6] is gevraagd om wijziging naar het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’. Voor de overige gezinsleden is gevraagd om wijziging naar het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ voor verblijf bij [eiser 6] , als zijnde referente. 4.1. Eisers woonden op het moment van de aanvraag samen en voorzagen in hun eigen levensonderhoud. De aanvragen zijn als volgt toegelicht: - [eiser 6] loopt bij terugkeer een reëel risico op besnijdenis. Dit vormt een objectieve belemmering om het privé- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. [eiser 6] gaat naar Kinderopvang [naam kinderopvang] . [eiser 1] is in het bezit van een verblijfsdocument vanwege zijn werk voor de VN in [plaats 1] . Hoewel aan dit dienstverband een einde komt, heeft een uitzendbureau zich bereid verklaard hem in dienst te nemen zodra hij een werkvergunning heeft. [eiser 1] is actief voor [organisatie 1] in [plaats 1] . [eiser 2] staat onder medische behandeling in het [ziekenhuis] voor de gevolgen van besnijdenis. Zij heeft onderwijs gevolgd in de Nederlandse taal en was werkzaam voor de Franse ambassade in [plaats 1] . Vanwege het verstrijken van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning, is haar dienstverband (tijdelijk) gestopt. De Franse ambassade heeft zich bereid verklaard [eiser 2] opnieuw in dienst te nemen. [eiser 2] is actief voor [organisatie 2] in [plaats 1] . [eiser 5] volgt onderwijs aan [school 1] . [eiser 4] volgt onderwijs aan [school 2] in [plaats 1] . Hij voetbalt bij [voetbalclub] . [eiser 3] heeft in Nederland gewerkt. [eiser 7] heeft in Nederland gewerkt. Vanwege het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning heeft hij zijn werkzaamheden moeten beëindigen. Hij volgt onderwijs aan [school 3] in [plaats 2] . Eisers betogen bij de aanvragen dat zij niet hoeven te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daartoe wijzen zij er (op dat moment) op dat tijdig is verzocht om wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning en zij in aanmerking komen voor voortgezet verblijf. 4.2. [eiser 1] heeft Nederland verlaten om te gaan solliciteren in de Verenigde Staten (VS). Hij heeft nog contact met (een aantal van) zijn gezinsleden. Besluitvorming naar aanleiding van de medische situatie van [eiser 5] 5. Op 7 december 2022 is voor [eiser 5] een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 22 december 2022 heeft de minister deze aanvraag ingewilligd en aan [eiser 5] uitstel van vertrek verleend voor de duur van één jaar (van 7 december 2022 tot 7 december 2023). De reden hiervoor is dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 21 december 2022 blijkt dat bij het uitblijven van medische behandeling een medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht en dat het niet mogelijk is om informatie over de beschikbaarheid van medische behandeling in Sierra Leone te verkrijgen. Daardoor is sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen als bedoeld in paragraaf A3/7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Het verlenen van uitstel van vertrek heeft tot gevolg dat [eiser 5] voor de duur van het verleende uitstel van vertrek rechtmatig verblijf heeft. Aan de gezinsleden van [eiser 5] is op grond van paragaaf A3/7.1.2. van de Vc 2000 (ook) uitstel van vertrek verleend. 6. Op 9 oktober 2023 is voor [eiser 5] een aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Bij besluit van 6 november 2023 heeft de minister deze aanvraag ingewilligd en aan [eiser 5] voor dat verblijfsdoel een verblijfsvergunning verleend met een geldigheidsduur van 7 december 2023 tot 7 december 2028. 6.1. Op 6 december 2023 hebben [eiser 2] , [eiser 4] , [eiser 6] , [eiser 3] en [eiser 7] aanvragen ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [eiser 5] . Bij besluiten van 20 december 2023 en 25 januari 2024 heeft de minister deze aanvragen ingewilligd en is aan hen voor dat doel een verblijfsvergunning verleend met een geldigheidsduur van 7 december 2023 tot 7 december 2028, met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid niet toegestaan’. Is er procesbelang? 7. Tussen partijen is niet in geschil dat, ondanks dat aan eisers (met uitzondering van [eiser 1] ) met ingang van 7 december 2023 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, zij belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De datum waarop de onderhavige aanvragen zijn ingediend, is namelijk gelegen voor de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunningen. In een eventuele eerdere ingangsdatum, is een belang gelegen. Verder zou naar de stelling van eisers een verschil kunnen zijn gelegen in de arbeidsmarktaantekening die aan de verblijfsvergunningen is gekoppeld. Op dit moment mogen [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 7] niet werken. Kern van het geschil (voor aanvang van de zitting) 8. Eisers hebben verzocht om wijziging van een (volgens hen) geldige verblijfsvergunning naar een ander verblijfsdoel. De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt niet afgewezen om de reden dat een vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. In het geval van eerste toelating geldt wel het vereiste dat de vreemdeling moet beschikken over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd. In geschil is of eisers moeten beschikken over een geldige mvv en, als dat het geval is, of de minister eisers met ingang van de dag van de aanvragen had moeten vrijstellen van dat vereiste. Wat heeft de minister beslist en wat heeft hij daaraan ten grondslag gelegd? Primaire besluit 9. De minister heeft de aanvragen bij het primaire besluit afgewezen omdat eisers niet beschikken over een geldige mvv en zij niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het vereiste om daarover te beschikken. Samengevat weergegeven heeft de minister dat als volgt toegelicht. De diplomatieke verblijfskaarten van eisers zijn geen verblijfsvergunningen. Dit document voor geprivilegieerden, dat wordt afgegeven door het ministerie van Buitenlandse Zaken op basis van het Verdrag van Wenen, kan ook niet worden gelijkgesteld met een geldige verblijfsvergunning die is afgegeven op grond van de Vw 2000. Dit betekent ook dat eisers ten tijde van de aanvragen geen verblijfsrecht hebben dat kan worden gewijzigd naar een ander verblijfsdoel. Dat betekent dat eisers een mvv moeten hebben. Eisers worden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste. [eiser 2] wordt niet om medische redenen vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat er onvoldoende bewijsstukken van haar medische situatie zijn overgelegd, waardoor het BMA niet om advies is gevraagd. Dat betekent dat de medische situatie van [eiser 2] niet bij de besluitvorming is betrokken. Ook in het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op uitoefening van gezins- en privéleven is geen reden gelegen om eisers vrij te stellen van het vereiste om over een geldige mvv te beschikken. Uitzetting van eisers is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Tot slot is niet gebleken dat terugkeer naar Sierra Leone voor het aanvragen van mvv voor eisers van onredelijke hardheid is, zodat zij ook niet om die reden worden vrijgesteld van dit vereiste. Eisers komen verder niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Er bestaat ook geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemeen wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van de van toepassing zijnde beleidsregels, aldus de minister. Bestreden besluit 10. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Dat heeft de minister als volgt gemotiveerd. 10.1. [eiser 5] wordt op grond van paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 vanwege haar medische situatie alsnog vrijgesteld van het vereiste om over een geldige mvv te beschikken. Indien zij na het verstrijken van de termijn van het uitstel van vertrek nog steeds aan Nederland is gebonden vanwege haar medische situatie, dan kan zij een medische verblijfsvergunning aanvragen. Dat is voor nu dan ook geen reden om [eiser 5] een verblijfsvergunning te geven op grond van artikel 8 van het EVRM. 10.2. De andere eisers worden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste. 10.2.1. De minister handhaaft zijn standpunt, en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, dat en waarom de diplomatieke kaarten geen verblijfsvergunning in de zin van de Vw 2000 zijn, en daarmee ook niet kunnen worden gelijkgesteld. Er is dus sprake van eerste toelating, zodat voor de onderhavige aanvraag een mvv is vereist. De situatie als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 augustus 2021 is niet gelijk of vergelijkbaar met de zaak van eisers. De prejudiciële vraag in die zaak heeft alleen betrekking op de vraag of een diplomatieke kaart een verblijfstitel is in de zin van de Dublinverordening, terwijl de Dublinverordening hier niet van toepassing is. 10.2.2. [eiser 4] en [eiser 6] worden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder b, dan wel onder k, van het Vb 2000 omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden van dat artikel. 10.2.3. Eisers worden ook niet vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. Hoewel eisers privéleven in Nederland hebben opgebouwd, is hun uitzetting niet in strijd met het door dit artikel beschermde recht op eerbiediging van dit privéleven. De reden hiervoor is dat de belangenafweging die in dat kader is gemaakt, in hun nadeel uitvalt. De minister heeft (onder meer) in het nadeel van eisers betrokken dat sprake is van eerste toelating, omdat zij nooit in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning op grond van de Vw 2000. Van inmenging in het privéleven is daarom geen sprake. Daardoor is de uitgangspositie van eisers in de belangenafweging minder sterk. In het voordeel van eisers is betrokken dat zij, gelet op de geprivilegieerde status, van [eiser 1] in Nederland mochten verblijven en in die periode banden met Nederland mochten aangaan, wat zij ook gedaan hebben. De minister stelt daar echter in het nadeel van eisers tegenover dat het voor geprivilegieerden kenmerkend is dat zij regelmatig verhuizen en dan weer terugkeren naar hun land van herkomst. Omdat de status van [eiser 1] tijdelijk van aard was, hebben eisers er niet van mogen uitgaan dat zij altijd privé- en gezinsleven in Nederland zouden mogen uitoefenen. Verder is in het voordeel van eisers betrokken dat [eiser 5] op dit moment aan Nederland is gebonden vanwege medische behandeling. Daar stelt de minister echter tegenover dat, vanwege het verleende uitstel van vertrek, het gezin nu niet bedreigd wordt met uitzetting. Ook is de medische behandeling van [eiser 5] niet in gevaar. In de medische situatie van [eiser 5] wordt geen reden gezien om de belangenafweging in haar voordeel te laten uitvallen. In het nadeel van eisers is bij de belangenafweging betrokken dat [eiser 5] , [eiser 4] en [eiser 6] met hun ouders kunnen terugkeren naar Sierra Leone en daar hun gezins- en privéleven voortzetten. Zij kunnen daar samen gaan wonen. De kinderen kunnen er naar school. Vriendschappen kunnen opnieuw worden aangegaan of weer worden opgepakt. Daarbij is doorslaggevend dat [eiser 5] , [eiser 4] en [eiser 6] nog niet dusdanig in Nederland zijn geworteld dat dat niet van hen kan worden verlangd. Ook wordt in het nadeel van eisers meegewogen dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het privé- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. De enkele stelling dat [eiser 6] een reëel risico loopt in Sierra Leone te worden besneden, waartegen haar ouders haar niet kunnen beschermen, is onvoldoende om een objectieve belemmering aan te nemen. Er zijn geen bewijsstukken ingebracht die deze stelling onderbouwen. Het is bovendien de verantwoordelijkheid van de ouders om [eiser 6] in Sierra Leone tegen besnijdenis te beschermen, zoals zij eerder ook [eiser 5] daartegen hebben beschermd. Niet is aangetoond of anderszins gebleken dat de ouders daartoe niet in staat zijn. Ook de stelling dat er in Sierra Leone een risico bestaat op ontvoering van de kinderen omdat de ouders in Europa zijn geweest, is niet onderbouwd. Als eisers bij terugkeer naar Sierra Leone problemen verwachten, kunnen zij daartoe een asielaanvraag indienen, aldus de minister. Verder weegt zwaar in het nadeel van eisers dat van een situatie als bedoeld in Werkinstructie 2020/16, met betrekking tot vreemdelingen die op jonge leeftijd naar Nederland zijn gebracht of hier zijn geboren, geen sprake is, maar juist sprake is van een situatie waarin ouders zich zonder verblijfsvergunning in Nederland bevinden en zouden kunnen meeprofiteren van een eventuele verblijfsvergunning aan de kinderen. Ook wordt zwaar in het nadeel in de belangenafweging betrokken dat [eiser 1] Nederland uit eigen beweging heeft verlaten om zich in de VS te vestigen. Dit doet ernstig afbreuk aan zijn binding met Nederland en betekent ook dat hij op dit moment geen privé- of gezinsleven uitoefent in Nederland en de facto niet met uitzetting wordt bedreigd. Tot slot is in de belangenafweging – in het nadeel – van [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 7] betrokken dat zij een aanzienlijk sterkere band met Sierra Leone hebben dan met Nederland. Zij zijn geboren en opgegroeid in Sierra Leone en hebben daar het grootste deel van hun leven gewoond, gewerkt en/of een opleiding genoten. Dat maakt dat zij bekend zijn met de taal, cultuur en gewoontes van Sierra Leone. Zij kunnen hun privé- en gezinsleven in Sierra Leone voortzetten. Van het gezin kan dan ook worden verlangd dat zij terugkeren naar Sierra Leone. Opgebouwde banden in Nederland kunnen op afstand of via bezoeken over er weer worden onderhouden. Van schending van het recht op eerbiediging voor gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, is evenmin sprake omdat het besluit niet leidt tot (voortdurende) scheiding van gezinsleden. De aanvraag van alle gezinsleden wordt afgewezen en geen van de gezinsleden heeft op een andere grond rechtmatig verblijf. Het hele gezin moet Nederland verlaten, zodat het weigeren van verblijf niet leidt tot een inbreuk op het recht op respect voor gezinsleven. 10.2.4. Het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan eisers is volgens de minister niet onredelijk hard. De minister verwijst daarvoor naar de belangenafweging. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestaat daarom geen aanleiding. 10.3. Eisers komen ook niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning. Omdat niet is voldaan aan de (financiële) voorwaarden van artikel 3.46 van het Vb 2000 en paragraaf B8/9 van de Vc 2000, komt [eiser 5] niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Tot slot bestaat er volgens de minister geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en de aanvragen in te willigen met toepassing van artikel 4:84 van de Awb. Wel hebben of krijgen alle gezinsleden op grond van paragaaf A3/7.1.2. van de Vc 2000 uitstel van vertrek vanwege het aan [eiser 5] verleende uitstel van vertrek. Op eisers rust de plicht om, na afloop van het uitstel van vertrek, het grondgebied van de lidstaten verlaten, waarbij [eiser 1] al heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting, aldus de minister. 11. De minister stelt zich, in aanvulling op het bestreden besluit, in het verweerschrift op het standpunt dat terecht in het nadeel van eisers in de belangenafweging is betrokken dat zij niet eerder rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad. Er is geen sprake van inmenging in het gezinsleven wanneer geen van de gezinsleden rechtmatig verblijf heeft. Ook is de aard van het eerder verleende verblijfsrecht wel degelijk relevant. Het minste gewicht in het voordeel van de vreemdeling wordt toegekend aan eerder tijdelijk verblijf omdat de vreemdeling er dan niet op mocht vertrouwen dat het verblijf in Nederland kon worden voortgezet. Dat eisers banden met Nederland hebben opgebouwd is bovendien in het voordeel van eisers meegewogen in de belangenafweging. Verder is [eiser 5] vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden en niet op grond van artikel 8 van het EVRM, maar is wel de inhoudelijke beoordeling gemaakt of sprake is van inmenging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De belangen van [eiser 5] en de andere kinderen, zijn voldoende bij de beoordeling betrokken. Een verwijzing naar de algemene situatie in Sierra Leone kan verder niet slagen omdat niet is aangetoond dat in de algemene omstandigheden voor eisers persoonlijk een belemmering is gelegen. Verder is terecht het standpunt ingenomen dat het eisers vrij staat een asielaanvraag in te dienen als zij menen gevaar te lopen in Sierra Leone. Hoewel asielgerelateerde gronden een rol spelen in het kader van de beoordeling of sprake is van objectieve belemmeringen om het gezins- en/of privéleven in het land van herkomst uit te oefenen, zijn de verklaringen die eisers in dit verband hebben afgelegd onvoldoende om deze in deze procedure volledig op aannemelijkheid te beoordelen. Als asielgerelateerde gronden nader onderzoek vergen naar het asielrelaas of de situatie in het land van herkomst, is de asielprocedure daarvoor de geëigende procedure. Dat is hier het geval. Voortschrijdend inzicht van de minister; het beroep is daarom gegrond 12. De minister heeft op de zitting te kennen gegeven dat, anders dan in de bestreden besluitvorming (en het verweerschrift) is geconcludeerd, niet alleen [eiser 5] vanwege het verleende uitstel van vertrek om medische redenen is vrijgesteld van de eis om over een geldige mvv te beschikken. Deze vrijstelling geldt ook voor de rest van de gezinsleden. Daarbij heeft de minister verduidelijkt dat de vrijstelling van het mvv-vereiste niet geldt vanaf het moment van de aanvraag (16 december 2021), maar vanaf het moment dat aan [eiser 5] uitstel van vertrek is verleend (7 december 2022). Verder handhaaft hij het inhoudelijke standpunt over de aanvraag zoals dat in de bestreden besluitvorming is neergelegd. De minister heeft verder aangegeven dat de aanvraag van eisers, nu zij worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, inhoudelijk moeten worden beoordeeld. Zij komen echter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. De minister verwijst daarvoor naar de inhoud van het bestreden besluit; de voorwaarden voor een verblijfsvergunning en voor een mvv zijn namelijk dezelfde. 12.1. Niet in geschil is dat eisers, ondanks de vrijstelling van het mvv-vereiste per 7 december 2022, nog altijd een belang hebben bij deze beroepsprocedure. Zij hebben namelijk belang bij de beantwoording van de vraag of over de periode van 16 december 2021 tot 7 december 2022 terecht het mvv-vereiste is tegengeworpen, en eisers dus niet al eerder dan 7 december 2022 van het mvv-vereiste hadden moeten worden vrijgesteld. Ook hebben zij belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvragen vanaf het moment dat het mvv-vereiste niet langer wordt tegengeworpen, terecht zijn afgewezen. 12.2. Het voorgaande betekent al dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal de overige beroepsgronden beoordelen in het licht van de vraag of er redenen zijn om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. 12.3. Die vraag beantwoordt de rechtbank alleen al om de volgende reden negatief. De aanvraag van [eiser 6] betreft, anders dan die van de andere gezinsleden, een aanvraag om wijziging van een geldige verblijfsvergunning naar een ander verblijfsdoel, namelijk het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’. Voor zover de minister de aanvragen van de andere eisers inhoudelijk gezien op inwilligbaarheid heeft beoordeeld, heeft hij dat voor de aanvraag van [eiser 6] niet (kenbaar) gedaan. Uit de besluitvorming volgt enkel dat de minister heeft beoordeeld of in artikel 8 van het EVRM een reden is gelegen om de aanvraag van [eiser 6] in te willigen. Dat is niet de beoordeling van de aanvraag die [eiser 6] heeft gedaan. Voor de volledigheid en om proceseconomische redenen gaat de rechtbank hierna in op wat eisers (verder) hebben aangevoerd. Beoordeling van de overige beroepsgronden Kon de minister volstaan met één besluit voor alle gezinsleden? 13. Eisers voeren allereerst aan dat zij afzonderlijke aanvragen hebben ingediend met elk een eigen toetsingskader, zodat de minister was gehouden om afzonderlijke besluiten te nemen. Het besluit is reeds hierom op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. 13.1. De beroepsgrond faalt. Het enkele feit dat alle aanvragen zijn afgedaan in één besluit maakt niet dat het besluit alleen al om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank verzet geen wettelijke bepaling zich tegen een dergelijke werkwijze. Ook niet als de aard van de aanvragen een andere is. Bovendien ligt in beroep niet de primaire beslissing ter beoordeling voor maar de beslissing op bezwaar. Niet valt in te zien waarom de minister een aparte beslissing op bezwaar had moeten nemen voor elk gezinslid aangezien eisers samen één bezwaarschrift hebben ingediend. Heeft de minister de juiste toetsingsvolgorde gehanteerd? 14. Eisers betogen dat de toetsingsvolgorde die de minister heeft gehanteerd, door eerst te toetsen aan het mvv-vereiste en dit tegen te werpen en niet (eerst) een inhoudelijke beoordeling van artikel 8 van het EVRM te maken, Unierechtelijk niet is toegestaan. Eisers verwijzen naar artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. 14.1. Dit wordt door de minister betwist. Hij stelt zich op het standpunt dat hij het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. Voordat is beoordeeld of eisers van het mvv-vereiste konden worden vrijgesteld, is beoordeeld of zij een mvv nodig hadden en, zo ja, of zij in het bezit waren van een mvv. Bovendien is een toetsing verricht aan zowel artikel 8 van het EVRM als aan het mvv-vereiste. De Gezinsherenigingsrichtlijn is niet op eisers van toepassing omdat zij geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Het betoog dat niet eerst aan het mvv-vereiste had mogen worden getoetst, kan daarom volgens de minister niet slagen. 14.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers hebben niet onderbouwd waarom de minister in dit geval een onjuiste toetsingsvolgorde heeft gehanteerd. Dat dat zo is, is de rechtbank ook niet gebleken. Bovendien – en nog los van de vraag of de Gezinsherenigingsrichtlijn hier van toepassing is – volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat het stellen van het mvv-vereiste niet in strijd is met het doel en nuttig effect van deze richtlijn en evenmin met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, maar dat de omstandigheden van het geval kunnen vorderen dat toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule. Dit laatste komt later in de uitspraak nog aan de orde. Moeten eisers beschikken over een geldige mvv? 15. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij moeten beschikken over een geldige mvv. Er is namelijk sprake van voortzetting van verblijf in Nederland. De minister heeft volgens eisers onvoldoende gemotiveerd dat in hun geval sprake is van eerste toelating. Hierbij verwijzen eisers naar de conclusie van Advocaat-Generaal Collins van 9 maart 2023 over de vraag of een diplomatieke kaart een verblijfstitel is in het kader van de Dublinverordening. Unierechtelijke termen moeten volgens eisers uniform worden uitgelegd. 15.1. De minister handhaaft zijn standpunt dat de geprivilegieerdenstatus van eisers niet maakt dat zij niet hoeven te beschikken over een geldige mvv. Dit verblijfsrecht vormt geen verblijfsvergunning in de zin van de Vw 2000 en daarmee is in die zin sprake van eerste toelating. De verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Collins leidt de minister niet tot een ander standpunt omdat die betrekking heeft op overnameverzoeken in het kader van de Dublinverordening. Dat de Advocaat-Generaal diplomatieke visa ziet als een verblijfsrecht in de zin van Dublinverordening, wil niet zeggen dat dit een verblijfsrecht is in de zin van de Vw 2000, aldus de minister. 15.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens rechtspraak van de Afdeling is verblijf op grond van een status als geprivilegieerde geen rechtmatig verblijf in de zin van de Vw 2000. Deze status wordt namelijk niet in de limitatieve opsomming van artikel 8 van de Vw 2000 vermeld als grond voor of omstandigheid waaronder sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van de Vw 2000. De diplomatieke kaart van eisers bood hen wel een recht om in Nederland te verblijven op grond van het Verdrag van Wenen maar het was geen verblijfsrecht als bedoeld in de Vw 2000 of een daarmee gelijk te stellen verblijfsrecht en onmiddellijk voorafgaand aan de aanvragen had geen van de gezinsleden wel zo’n verblijfsrecht. Dat betekent dat eisers geen vreemdelingen zijn die tijdig een aanvraag hebben ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning (als bedoeld in de Vw 2000) en die op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet in het bezit hoeven te zijn van een geldige mvv. De minister heeft de aanvragen van eisers daarom terecht aangemerkt als aanvragen om eerste verblijfsaanvaarding als bedoeld in de Vw 2000. Om die reden moeten zij voldoen aan alle op grond van deze wet gestelde voorwaarden, waaronder het mvv‑vereiste. Het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2023, waaraan de conclusie van Advocaat-Generaal Collins van 9 maart 2023 vooraf ging, leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest is naar het oordeel van de rechtbank alleen relevant als Unierecht wordt toegepast. Niet is gebleken dat daarvan in deze (ten tijde van de aanvraag) puur nationaalrechtelijke kwestie, sprake is. Vrijstelling mvv-vereiste: artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder b en k, van het Vb 2000 16. Eisers hebben op de zitting te kennen gegeven dat zij de beroepsgronden die zien op de weigering om [eiser 6] en [eiser 4] (en [eiser 5] ) vrij te stellen van het mvv-vereiste vanwege het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder b en onder k, van het Vb 2000, niet langer handhaven. Deze beroepsgrond zal de rechtbank dan ook niet beoordelen. Vrijstelling mvv-vereiste: artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 (artikel 8 van het EVRM) 17. Eisers betogen verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft volgens eisers onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging, die in dit verband is verricht, in hun nadeel uitvalt. Zo is volgens eisers ten onrechte bij de belangenafweging betrokken dat sprake zou zijn van eerste toelating en dat daarom van inmenging in opgebouwd privéleven geen sprake is. De afgegeven status als geprivilegieerde heeft eisers namelijk jarenlang ertoe in staat gesteld gezins- en privéleven in Nederland uit te oefenen. De minister heeft ook niet betwist dat eisers door die status (terecht) banden met Nederland zijn aangegaan. Dat het voor geprivilegieerden kenmerkend is dat zij regelmatig verhuizen, doet er niet aan af dat eisers gedurende de vijf jaar die zij rechtmatig in Nederland hebben verbleven, sterke banden met Nederland hebben opgebouwd. De minister motiveert ten onrechte niet waarom die omstandigheid in het nadeel van eisers meeweegt. Daarbij komt volgens eisers nog dat [eiser 1] geen diplomaat is, maar een beveiliger in dienst van de VN bij wie regelmatig verhuizen en terugkeren naar het land van herkomst geen sprake is. Ook miskent de minister volgens eisers in dit verband dat niet-geprivilegieerden na vijf jaar in aanmerking kunnen komen voor voortgezet verblijf. De minister heeft verder niet gemotiveerd dat in het nadeel van eisers een rol speelt dat [eiser 1] en [eiser 2] zouden kunnen profiteren van eventuele vergunningverlening aan de kinderen. Het gaat immers om een verzoek tot het voortzetten van eerder legaal verblijf waarin zij altijd aan het inkomensvereiste hebben voldaan. Verder betogen eisers dat de medische situatie van [eiser 5] de belangenafweging ten onrechte niet in haar voordeel heeft doen uitvallen. De omstandigheid dat aan [eiser 5] geen regulier verblijfsrecht wordt verleend en zij dus met uitzetting wordt bedreigd, als gevolg waarvan er problemen in het gezin zijn ontstaan, is de oorzaak van de medische situatie waarin [eiser 5] zich bevindt. Dit vormt bovendien een objectieve belemmering voor terugkeer naar Sierra Leone. In dat verband heeft de minister verder niet gemotiveerd welke bewijsstukken eisers moeten overleggen ter staving het risico op besnijdenis dat [eiser 5] en [eiser 6] bij terugkeer lopen. Van belang hierbij is dat is verklaard dat de ouders niet in staat zijn hen daartegen te beschermen. Verder is de minister volgens eisers onvoldoende ingegaan op de moeilijkheden die het gezin zal ervaren bij terugkeer naar derdewereldland Sierra Leone. Vooral op de belangen van de (minderjarige) kinderen is onvoldoende acht geslagen en deze zijn ten onrechte niet vooropgesteld. In het bijzonder voor [eiser 5] heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom zij haar leven in Sierra Leone kan voortzetten. Eisers betwisten verder dat de banden van [eiser 3] en [eiser 7] met Sierra Leone sterker zijn dan die met Nederland. Zij maken deel uit van het studentenleven in Nederland en hebben deel uitgemaakt van de Nederlandse arbeidsmarkt. Om die reden zijn zij snel ingeburgerd. Dit is in de belangenafweging niet onderkend. Over het vertrek van [eiser 1] naar de VS voeren eisers aan dat dit een noodgedwongen vertrek was om in het levensonderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien. Van vestiging in de VS is bovendien geen sprake. Tot slot wijzen eisers er met betrekking tot het onderhouden van met Nederland opgebouwde banden op dat de werking van moderne communicatiemiddelen in Sierra Leone niet vanzelfsprekend is en hen kort verblijf in Nederland niet zal worden toegestaan vanwege vestigingsgevaar. 17.1. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eisers in Nederland gezins- en privéleven uitoefenen dat valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. De beoordeling aan artikel 8 van het EVRM speelt op twee vlakken een rol. Enerzijds in het kader van de vraag of daarin aanleiding is gelegen om eisers (per datum aanvraag) vrij te stellen van het mvv-vereiste en anderzijds in het kader van de vraag of daarin – nadat te kennen is gegeven dat eisers in ieder geval vanaf 7 december 2022 het mvv-vereiste niet langer wordt tegengeworpen – aanleiding is gelegen om de aanvraag van eisers (al dan niet ambtshalve) in te willigen. Voor de beoordeling in het kader van beide vragen verwijst de minister (ter zitting) naar de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM zoals die in de bestreden besluitvorming, aangevuld met het verweerschrift, is gemaakt in het kader van de vraag of eisers moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. 17.2. De rechtbank moet beoordelen of de minister de belangenafweging die is verricht, in het nadeel van eisers heeft kunnen laten uitvallen en heeft kunnen concluderen dat eisers geen aanspraak maken op bescherming door artikel 8 van het EVRM vanwege opgebouwd privéleven in Nederland. De rechtbank moet in dat verband allereerst beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Dit toetst de rechtbank vol. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de uitkomst van de belangenafwegingweging getuigt van een rechtvaardig evenwicht (‘fair balance’) tussen enerzijds het belang van eisers bij de uitoefening van het (gezins-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.