RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.31183 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R. Aboukir), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. van Duren). Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder medegedeeld dat eiser niet langer in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft medegedeeld zich niet tegen toewijzing van het verzoek en veroordeling in de proceskosten te verzetten. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en heeft het onderzoek op 9 september 2024 gesloten. Overwegingen 1. Verzoeker is geboren op [datum] 1995 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat verzoeker niet langer in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. De reden hiervoor is dat hij van 13 maart 2024 tot en met 28 april 2024 in Marokko heeft verbleven. 3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot uitspraak is gedaan door de Afdeling over de rechtmatigheid van de beëindiging van de tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn per 4 maart 2024. Ook verzoekt hij verweerder op te dragen hem te behandelen als ware hij in het bezit van rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn, waardoor hij in de gemeentelijke opvang mag blijven en het recht op arbeid behoudt. Eiser ging ervan uit dat hij vanaf 4 maart 2024 geen rechten meer had in Nederland. Dit was hem door verweerder medegedeeld. Verder was zijn vader ernstig ziek en de verwachting was dat hij niet meer lang te leven had. Nadien is gebleken dat getwijfeld kan worden aan de rechtmatigheid van het besluit van verweerder om iemands recht op tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 te beëindigen. Eiser is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken door verweerder. Gelet hierop kan niet worden tegengeworpen dat eiser Nederland heeft verlaten. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 30 juli 2024. Hij verwachtte geen bescherming meer te krijgen in Nederland en heeft nog voordat het bevriezingsbesluit bekend was besloten zijn ernstig zieke vader te bezoeken. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Griffierecht 4. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van het verzoek wegens betalingsonmacht. Met het door verzoeker overgelegde formulier heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen. Spoedeisend belang 5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit inhoudt dat verzoeker geen aanspraak kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. In de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit is vermeld dat het indienen van bezwaar de rechtsgevolgen van het besluit niet opschort. Dit betekent dat verzoeker in onzekerheid verkeert of en hoelang hij nog in de gemeentelijke opvang kan verblijven. Deze onzekerheid levert een spoedeisend belang op bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Beoordelingskader 7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 8. De groepen vreemdelingen die volgens het Uitvoeringsbesluit onder de reikwijdte van de Richtlijn vallen, zijn de volgende categorieën personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.