RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL24.1859 en NL24.1860 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam] , eiser/verzoeker V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M. Rasul), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M. Verzijden). Procesverloop Bij besluit van 14 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en aan hem is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL24.
- De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen
- De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening.
- Bij bericht van 1 februari 2024 heeft de staatssecretaris de rechtbank meegedeeld dat eiser op 11 januari 2023 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Daarbij heeft de staatssecretaris een schermafdruk overgelegd van het registratiesysteem Indigo. Hieruit blijkt dat eiser met ingang van 11 januari 2024 door het COa is gemeld als zijnde met onbekende bestemming vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 2 februari 2024 meegedeeld dat hij geen contact meer onderhoudt met eiser, maar stelt zich desondanks op het standpunt dat er sprake is van procesbelang vanwege de korte periode waarin eiser als mob geregistreerd staat.
- Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
- Nu eiser op 11 januari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en hij sindsdien geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, moet ervan uit worden gegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een beoordeling van zijn beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.
- Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Ook in dat verband bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2024 door mr. A. Nieuwenhuis, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.