← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:15334

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.36217 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann). Procesverloop Bij besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 19 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven. Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft in het beroepschrift van 17 september 2024 de gronden van het beroep vermeld. Na de mogelijkheid daartoe heeft eiser deze beroepsgronden niet nader aangevuld. Verweerder heeft op 24 september 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 24 september 2024 het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Syrische nationaliteit te hebben.
  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Uiterste overdrachtsdatum
  3. Eiser stelt dat de gehanteerde uiterlijke overdrachtsdatum onjuist is. Hij meent dat de periode van zes maanden uniform uitgelegd moet worden, waarbij een maand gelijk staat aan 30 dagen.
  4. De rechtbank stelt voorop dat er, mede gelet op het overdrachtsbesluit van 18 juni 2024, voldoende concrete aanwijzingen aanwezig waren dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was. Verweerder heeft eiser dan ook in bewaring heeft mogen stellen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. De bewaringsrechter beoordeelt enkel de rechtmatigheid van de maatregel die op 16 september 2024 aan eiser is opgelegd. De vraag of in het kader van het overdrachtsbesluit de juiste uiterste overdrachtsdatum werd gehanteerd, raakt niet de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Ambtshalve toets
  5. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  8. Verordening (EU) nr. 604/2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.