RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/2452 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen), en het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, verweerder (gemachtigde: S. van den Nieuwenhuizen). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] , uit [woonplaats] (derde-partij 1), [derde-partij 3] , [derde-partij 4] , [derde-partij 5] , [derde-partij 6] , [derde-partij 7] en [derde-partij 8] , uit [woonplaats] (derde-partij 2). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning aan de [adres 1] in [plaats] in twee appartementen. Met het besluit van 1 april 2021 heeft verweerder in eerste instantie de omgevingsvergunning verleend aan eiser. 1.1. In het besluit van 27 januari 2022 heeft verweerder de bezwaren van beide derde-partijen tegen het besluit van 1 april 2021 gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. 1.2. In het besluit van 4 maart 2022 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. 1.3. Tegen het besluit van 4 maart 2022 heeft eiser beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Eiser heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot, mr. [naam] , en gemachtigde van verweerder. Namens derde-partij 1 heeft [derde-partij 1] ( [derde-partij 1] ) deelgenomen. Namens derde-partij 2 hebben [derde-partij 3] ( [derde-partij 3] ), [derde-partij 6] , [derde-partij 7] en [derde-partij 8] deelgenomen. Totstandkoming van het besluit 2. Op 4 december 2020 heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het splitsen van een woning ter plaatse van de [adres 1] te [plaats] in 2 appartementen. De aanvraag betreft de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. In de bij de aanvraag ingeleverde ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat er één extra parkeerplaats nodig is en dat deze in de berging op de begane grond komt, omdat daar plaats is voor drie auto’s. 2.1. Na overleg tussen verweerder, zijn verkeerskundige en eiser heeft eiser zijn aanvraag gewijzigd. De extra parkeerplaats zou niet komen in de berging op het perceel [adres 1] , maar in het pand aan de [adres 2] , dat ook in eigendom is van eiser. Eiser heeft de daarbij behorende bouwtekeningen overgelegd. 2.2. Het bestemmingsplan “Kern Bodegraven” staat het toevoegen van een extra woning niet toe. Met het besluit van 1 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) afgeweken van de regels van het bestemmingsplan en de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder overwoog hierbij dat een extra parkeerplaats wordt gerealiseerd en dat hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van 1,9 parkeerplaatsen per appartement. De ruimtelijke impact is door het toevoegen van de parkeerplaats in de berging te verwaarlozen, aldus het primaire besluit. 2.3. Naar aanleiding van bezwaar van beide derde-partijen tegen het primaire besluit heeft de commissie bezwaarschriften (de commissie) geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, omdat de bestendigheid van de parkeerplaats in het pand aan de [adres 2] niet is gewaarborgd en omdat onvoldoende is gemotiveerd en onderzocht of de parkeerplaats voldoende bereikbaar en bruikbaar is. Ook is onvoldoende onderzoek gedaan naar de woon- en leefomgeving. 2.4. Op 25 januari 2022 heeft de verkeerskundige van verweerder negatief geadviseerd over het parkeren, omdat de doorrijbreedte van de poort en de rijbaan tegenover de poort (erg) smal zijn en omdat het onmogelijk om in één keer de poort in of uit te rijden zonder te steken door paaltjes en de inrichting van de straat. Verder vindt de verkeerskundige de garage aan de achterzijde te smal voor twee auto’s en passen er geen drie auto’s in de garage aan de voorzijde. Tot slot wijst de verkeerskundige erop dat (op grond van de Nota Parkeernormen 2016) garages zonder aanliggende opritten niet worden meegenomen als parkeerplekken en dus waarde 0 hebben. 2.5. Met het besluit van 27 januari 2022 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen. Verweerder heeft de bezwaren van de derde-partijen gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. 2.6. Met het besluit van 4 maart 2022 heeft verweerder eisers aanvraag om een omgevingsvergunning geweigerd, omdat met de voorgestelde parkeerplaats aan de [adres 2] niet wordt voorzien in voldoende (zekere) parkeergelegenheid op eigen terrein, de doorrijbreedte van de poort te smal is, en omdat de garage geen oprit heeft. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid van het beroep 3. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 4 maart 2022, gelet op het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onlosmakelijk samenhangt met het besluit van 27 januari 2022. De rechtbank merkt beide besluiten daarom samen aan als het bestreden besluit. 3.1. De beroepstermijn tegen de beide samenhangende besluiten vangt aan op de dag na bekendmaking van het laatst genomen besluit. De beroepstermijn is dus aangevangen de dag na verzending van het besluit van 4 maart 2022. Aangezien het beroepschrift binnen zes weken daarna is ingediend, is het tijdig ontvangen. Eiser is dan ook ontvankelijk in zijn beroep. Ontvankelijkheid van de derde-partijen 4. Beoordeeld moet worden of de derde-partijen belanghebbenden zijn. 4.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald wanneer iemand belanghebbende is: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken." 4.2. [derde-partij 1] woont op het adres [adres 3]. Aangezien hij op een direct aangrenzend perceel woont, is hij derde-belanghebbende. 4.3. De overige personen die zich hebben aangemeld om als derde-partij deel te nemen aan het geding wonen niet op een perceel direct grenzend aan het perceel. Zij zijn dus niet al om die reden belanghebbende. 4.4. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat iemand die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een omgevingsvergunning in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het moet daarbij wel gaan om ‘gevolgen van enige betekenis’. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft een betrokkene geen persoonlijk belang bij een besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van een betrokkene zijn, wordt rekening gehouden met factoren als afstand tot, zicht op, en planologische uitstraling van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. 4.5. De derde-partijen hebben aangevoerd dat zij geluidsoverlast, overlast van licht en parkeerdruk ervaren. In de directe omgeving van het perceel waren bedrijven gevestigd. De bedrijfsactiviteiten in de buurt zijn echter inmiddels beëindigd en daarvoor in de plaats komen woonbestemmingen. Daarmee is een parkeerprobleem ontstaan, waarmee alle derde-partijen te maken hebben. De parkeerproblemen worden door verweerder en eiser niet betwist. Het is daarmee niet uit te sluiten dat alle personen die deel uitmaken van de derde-partijen gevolgen van enige betekenis ondervinden als bedoeld in de hierboven samengevatte rechtspraak van de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle overige personen die zich als derde-partij hebben aangemeld daarom belanghebbende bij het bestreden besluit. Welke bestemmingsplannen golden? 5. Ter plaatse waren ten tijde van de aanvraag het bestemmingsplan en het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Bodegraven-Reeuwijk” (het parapluplan) van kracht. 5.1. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat op 23 februari 2022 een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld dat het bestemmingsplan en het parapluplan volledig overschrijft. Daarmee zouden de parkeerregels geheel zijn losgelaten. Het nieuwe besluit is van 4 maart 2022 en dus van na die datum. 5.2. De rechtbank begrijpt dat eiser doelt op het nieuwe bestemmingsplan Bodegraven Centrum 2022. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat een vastgesteld bestemmingsplan het voorgaande bestemmingsplan altijd volledig overschrijft. Dit volgt niet uit de uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser heeft verwezen, die bovendien ging over een nieuw onherroepelijk geworden planologisch regime. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022 volgt daarentegen juist dat er geen wettelijke bepaling bestaat waaruit volgt dat door het enkele in werking treden van een bestemmingsplan de werking aan het eerdere bestemmingsplan voor het plangebied wordt ontnomen. Het bestemmingsplan Bodegraven Centrum 2022 is bovendien vóór het nemen van het bestreden besluit vastgesteld, maar was toen nog niet in werking getreden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook terecht getoetst aan het bestemmingsplan en het parapluplan. Toetsingskader 6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoering Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. 6.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 6.2. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.