RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL24.4325 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Nohar), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. J.D. Albarda). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 24 maart 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit (in de verlengde asielprocedure) van 9 januari 2024 afgewezen als ongegrond. 1.1. Eiser heeft hiertegen op 6 februari 2024 beroep ingesteld. Eiser heeft zijn beroepsgronden op 5 maart 2024 en 22 juli 2024 aangevuld. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.1. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag. Hij is biseksueel en is daardoor niet veilig in zijn land van herkomst, [land] . Ook heeft hij door die geaardheid in [land] problemen gekregen nadat hij in een bar een man had benaderd. Hij is mishandeld en ermee bedreigd dat hij geofferd zou worden. Omdat [land] voor hem niet meer veilig was, is eiser het land uit gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer voor zijn vrijheid en voor zijn leven. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; biseksuele geaardheid; problemen vanwege zijn gestelde biseksuele geaardheid. 4.1. De minister heeft het relevante element 1. geloofwaardig geacht maar de elementen 2. en 3. niet. De minister stelt – samengevat – dat eiser zijn biseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen hierover summier, algemeen en niet authentiek zijn. Ook de gestelde problemen vanwege zijn gestelde biseksuele geaardheid zijn niet geloofwaardig, omdat eiser daar wisselende en tegenstrijdige verklaringen over heeft afgelegd. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Overwegingen van de rechtbank Had de minister de correcties en aanvullingen in de beoordeling moeten meenemen? 5. De gemachtigde van eiser heeft op 7 december 2022 correcties en/of aanvullingen op het rapport van het nader gehoor ingediend. De minister heeft zich in het voornemen van 6 juli 2023 op het standpunt gesteld dat de ingediende correcties en aanvullingen zodanig uitgebreid zijn dat die buiten beschouwing gelaten worden. Dit standpunt is in het bestreden besluit gehandhaafd. 6. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat de correcties en aanvullingen geen nieuwe elementen bevatten, maar alleen een nadere uitwerking zijn van de bij het nader gehoor afgelegde verklaringen. Eiser kon zich namelijk tijdens het gehoor niet goed uiten, maar bij zijn gemachtigde wel. Daarnaast stelt eiser op de zitting dat de minister op bepaalde belangrijke punten ook niet voldoende heeft doorgevraagd, bijvoorbeeld op de negatieve punten van zijn relatie met [naam] als eiser aangeeft dat hij bijna alles aan hem fijn vond. 6.1. De minister heeft in reactie daarop aangevoerd dat eiser bij het nader gehoor oppervlakkig en onbevredigend heeft verklaard. Daarnaast is er in het nader gehoor ook voldoende doorgevraagd, zo is in het nader gehoor gevraagd wat eiser niet fijn vond aan [naam] . Verder heeft eiser geen deugdelijke verklaring gegeven waarom hij pas in de correcties en aanvullingen met zulke uitgebreide aanvullingen is gekomen. De minister heeft daarbij ter onderbouwing verwezen naar uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 29 september 2022 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 november 2021. 7. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank overweegt dat uit onder meer de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 november 2021 volgt dat de minister niet zonder meer wijzigingen of aanvullingen die naar voren worden gebracht in de correcties en aanvullingen hoeft over te nemen. De minister dient wel kenbaar te motiveren waarom hij de correcties en aanvullingen niet betrekt bij zijn afweging. De rechtbank overweegt dat de minister in dit geval in het bestreden besluit en op de zitting heeft gemotiveerd dat de correcties en aanvullingen niet zijn meegenomen, omdat het gaat om allerlei nieuwe uitgebreide verklaringen en geen deugdelijke motivering is gegeven waarom deze verklaringen niet tijdens het nader gehoor naar voren zijn gebracht. De rechtbank volgt de stelling van eiser niet dat hij deze verklaringen niet tijdens het nader gehoor naar voren had kunnen brengen. De rechtbank heeft er weliswaar begrip voor dat eiser zich misschien bij zijn gemachtigde (meer) op zijn gemak voelde, maar het is de rechtbank uit het nader gehoor niet gebleken dat eiser zich bij de gehoormedewerker niet op zijn gemak heeft gevoeld. Bovendien is eiser voldoende gelegenheid geboden om in het nader gehoor uitgebreider te verklaren, maar heeft eiser van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank stelt daarbij vast dat aan eiser wel degelijk is gevraagd wat de negatieve punten van [naam] waren en is doorgevraagd wat eiser dan niet fijn vond (p. 19 nader gehoor). De beroepsgrond slaagt dus niet. Heeft de minister de gestelde geaardheid ongeloofwaardig mogen achten? 8. Eiser stelt dat hij, in lijn met Werkinstructie 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’ (WI 2019/17), in voldoende mate heeft verklaard over alle van belang zijnde thema’s. De ontdekking en acceptatie van zijn geaardheid is al van lang geleden en het valt hem om die reden niet aan te rekenen dat hij alles niet meer precies weet. Verder stelt hij dat hij moeilijk over zijn geaardheid kan praten en dat de minister niet genoeg rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Ook stelt eiser dat de minister zijn verklaringen onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beschouwd en dat ten onrechte niet de compensatiemogelijkheid is toegepast. Tijdens het nader gehoor wist eiser nog niets van Nederlandse LHBTI-organisaties, maar inmiddels heeft hij daar wel contact mee. Bovendien compenseren eisers verklaringen over zijn gedachten/gevoelens dat hij tijdens het nader gehoor weinig kon verklaren over LHBTI-organisaties in Nederland. Hij stelt dat sprake is van identiteitsgroei sinds het nader gehoor. Ook voert hij aan dat hij vanwege zijn geaardheid wel degelijk gevaar loopt in het land van herkomst. Hij beroept zich ten slotte op WBV 2024/12 waaruit zou blijken dat hij tot een risicoprofiel behoort. 8.1. De minister voert aan dat zij alle elementen van WI 2019/17 in voldoende mate heeft getoetst. De minister is – samengevat – van mening dat eiser ten aanzien van element 2. geen voldoende authentiek en persoonlijk verhaal heeft verteld. Hem is voldoende gelegenheid gegeven zich nader uit te spreken over alle bevraagde aspecten maar zijn verklaringen zijn steeds summier en algemeen van aard gebleven. De biseksuele gerichtheid is niet aannemelijk gemaakt. De minister vindt dat de compensatiemogelijkheid terecht niet is toegepast. Eiser was al langdurig buiten [land] en heeft zich pas in Nederland geïnformeerd over de LHBTI-situatie. Eiser heeft voor het overige zelf verklaard dat hij zijn geaardheid rond zijn 24e jaar heeft geaccepteerd. Dat is niet zodanig lang geleden dat hij daarover niet uitgebreider had kunnen verklaren. 9. De rechtbank zal hierna eerst het toetsingskader voor de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid uiteenzetten voordat zij zal ingaan op de beroepsgronden van eiser. 9.1. Het toetsingskader voor de beoordeling van de geloofwaardigheid in zaken over seksuele gerichtheid wordt gevormd door rechtspraak van de Afdeling en de WI 2019/17. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor de vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij LHBTI is. 9.2. Bij het horen en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid betrekt de minister de volgende thema’s: privéleven; huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI groepen; contact met LHBTI’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. 9.3. De minister moet daarnaast overgelegde bewijsstukken, waaronder verklaringen van derden, kenbaar bij zijn beoordeling betrekken. Bewijsstukken kunnen dienen als ondersteunend bewijs en kunnen ontoereikende verklaringen van een vreemdeling op één van de thema’s compenseren. Dat is met name het geval als het gaat om informatie van feitelijke aard of verklaringen van objectieve derden over feitelijk gedrag. De minister moet, gelet op de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, motiveren welk gewicht aan de inhoud van de stukken toekomt in het licht van de verklaringen en eventueel overgelegd ander bewijsmateriaal. 9.4. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met dat wat bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van LHBTI’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.