RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.20891 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2024 in de zaak tussen [eiser 1], v-nummer [nummer 1], [eiseres] , v-nummer [nummer 2], [eiser 2] , v-nummer [nummer 3], [eiser 3] , v-nummer [nummer 4], [eiser 4] , v-nummer [nummer 5], eisers (gemachtigde: mr. L.I. Siers), en de minister van Asiel en Migratie . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De minister heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank geen verweerschrift ingediend. 1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep van eisers ontvankelijk en gegrond? 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. 2.1. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Eisers hebben de aanvraag ingediend op 26 april 2023. Bij uitspraak van 27 februari 2024 heeft deze rechtbank een (eerste) beroep tegen het niet tijdig beslissen op die aanvraag gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken of een nader onderzoek aan te bieden. Aan deze termijn heeft de rechtbank een rechterlijke dwangsom verbonden van € 100 voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500. De minister heeft niet binnen de voorgenoemde termijn een besluit op de aanvraag van eisers bekendgemaakt of besloten tot nader onderzoek. 2.2. Eisers hebben het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 15 mei 2024, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Bovendien is de rechterlijke dwangsom inmiddels wel volledig verbeurd en de minister heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag van eisers. Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op? 3. Als de minister niet op tijd heeft beslist, moet de rechtbank een termijn van twee weken opleggen. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen. 3.1. Bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning is sprake van een bijzonder geval. De rechtbank ziet geen grond om daar in deze zaak anders over te oordelen. In haar uitspraak van 17 maart 2023 heeft de rechtbank uitgangspunten voor een passende beslistermijn geformuleerd die zij ook zal toepassen in andere bij de rechtbank aanhangige zaken waarin de minister niet op tijd beslist op een aanvraag om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning. 3.1.1. De rechtbank ziet – zoals zij eerder heeft geoordeeld – in het feit dat de minister per 15 januari 2024 het ‘first in first out-principe’ hanteert, geen aanleiding om van deze uitgangspunten af te wijken of de behandeling van het beroep aan te houden. 3.1.2. Wanneer de rechtbank een opvolgend beroep niet tijdig gegrond verklaart, legt de rechtbank een kortere nadere termijn op dan zij bij een eerste beroep niet tijdig zou doen. In die situatie geldt het uitgangspunt dat de rechtbank van de termijn die zij op zou leggen wanneer sprake zou zijn van een eerste beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, het gedeelte dat voor de minister is bedoeld om te kunnen beslissen halveert. 3.2. De rechtbank stelt daarom – ook in dit geval – een termijn vast die overeenstemt met de in de uitspraak van 17 maart 2023 en onder 3.1.1 geformuleerde uitgangspunten. Een andere termijn vindt de rechtbank in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet passend. De stand van zaken valt niet af te leiden uit de door partijen ingediende stukken. De rechtbank vindt daarom het volgende passend: - de minister moet binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak 1) een besluit op de aanvraag bekendmaken, of 2) gelegenheid tot herstel van verzuim(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.