RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/654795 / HA ZA 23-884 Vonnis van 9 oktober 2024 in de zaak van 1VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., 2. IZA ZORGVERZEKERAAR N.V., 3. N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC, 4. N.V. UNIVÉ ZORG, allen te Arnhem, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat: mr. C.E. van Staveren te Arnhem, tegen [bedrijfsnaam] ZORG EN WELZIJN B.V. te [vestigingsplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. A.A.M. Knol te Den Haag, en [naam 1] te [woonplaats] , gedaagde in conventie, advocaat: mr. N.M. Fakiri te Den Haag. Partijen worden hierna VGZ c.s., [bedrijfsnaam] en [naam 1] genoemd. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 8 september 2023, met producties 1 tot en met 17; de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 21 (behoudens productie 11), van de zijde van [bedrijfsnaam] ; de conclusie van antwoord (in conventie) van de zijde van [naam 1] ; de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 18 tot en met 29; het tussenvonnis van 1 mei 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; de akten overlegging producties 11, 22 tot en met 26, met eiswijziging, van de zijde van [bedrijfsnaam] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2024. Daarbij waren (vertegenwoordigers van) partijen en hun advocaten aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten verder toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er ter zitting is besproken. Deze aantekeningen zijn aan het griffiedossier toegevoegd. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [bedrijfsnaam] is een in 2018 opgerichte organisatie die onder meer thuiszorg in de vorm van wijkverpleging biedt. [naam 1] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijfsnaam] . Een deel van de zorg die [bedrijfsnaam] biedt behoort tot de verzekerde zorg op grond van de basisverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). 2.2. VGZ c.s. bestaat uit zorgverzekeraars in de zin van de Zvw, met wie [bedrijfsnaam] zorgovereenkomsten heeft gesloten voor de periode van 2020 tot en met 2023 (‘Zorgovereenkomsten Wijkverpleging Cliëntvolgend’). Op grond van die overeenkomsten kon [bedrijfsnaam] voor aan verzekerden van VGZ c.s. verleende verzekerde zorg aanspraak maken op vergoeding jegens VGZ c.s. Door VGZ c.s. is tussen 2020 en 2023 een totaalbedrag van € 832.726,11 aan [bedrijfsnaam] betaald. 2.3. Partijen zijn overeengekomen (in artikel 3 van het ‘Aanbieder specifiek deel Wijkverpleging Cliëntvolgend contract’ over de jaren 2020-2023) dat de zorgaanbieder garandeert dat de indicatie wordt gesteld door een wijkverpleegkundige die verpleegkundig specialist of HBO-verpleegkundige is en dat de zorg alleen wordt geleverd door een verpleegkundig specialist, verpleegkundige, verzorgende niveau 3 of een verzorgende in de individuele gezondheidszorg. 2.4. In de algemene voorwaarden van VGZ die op deze zorgovereenkomsten van toepassing zijn, is fraude als volgt gedefinieerd: “g. Fraude: de situatie waarin de zorgaanbieder bewust valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van bij de totstandkoming of uitvoering van een overeenkomst van zorgverzekering betrokken personen en organisaties met het doel een prestatie, vergoeding, betaling of ander voordeel te krijgen waarop de verzekerde dan wel de zorgaanbieder geen recht heeft of recht kan hebben; (…).” 2.5. Verder is in deze algemene voorwaarden voor zover van belang het volgende vermeld: “Artikel 16 – Fraude (…) 3. Indien de zorgverzekeraar heeft aangetoond dat de zorgaanbieder fraude heeft gepleegd, verliest de zorgaanbieder aanspraak op vergoeding van dat deel van de specifieke declaraties waarbij fraude is vastgesteld. (…)” 2.6. Naar aanleiding van een melding van 20 januari 2022 door [naam 2] – een wijkverpleegkundige die van oktober 2021 tot 12 januari 2022 in die functie (op zzp-basis voor 10 uur per week) voor [bedrijfsnaam] werkzaam is geweest – heeft VGZ c.s. onderzoek gedaan naar de vraag of [bedrijfsnaam] fraude heeft gepleegd. 2.7. Bij brief van 5 juli 2022 heeft VGZ c.s. [bedrijfsnaam] op de hoogte gebracht van het fraudeonderzoek en gegevens opgevraagd met betrekking tot elf verzekerden. In die brief is voor zover van belang vermeld: “Om te kunnen beoordelen of de gedeclareerde zorg in de periode 2021 t/m 2022 daadwerkelijk is geleverd en het zorg betreft waarvoor aanspraak bestaat in het kader van de Zorgverzekeringswet, hebben wij de volgende gegevens nodig: Met betrekking tot de verzekerden zoals vermeld in bijlage 1 Alle indicaties die de wijkverpleegkundige voor deze verzekerden heeft gesteld; De zorgplannen die [bedrijfsnaam] Zorg en Welzijn BV voor deze verzekerden heeft opgesteld; De urenspecificaties waaruit blijkt op welke dagen er zorg is verleend, welke zorgsoort, met vermelding van de begin- en eindtijd en de naam van de zorgverlener; De dag rapportages waaruit blijkt waar de zorg uit heeft bestaan en De diploma’s van de indicerend wijkverpleegkundigen én de zorgverleners die de zorg hebben geleverd.” 2.8. Op 16 augustus 2022 ontving VGZ c.s. een tweede melding. Deze melding is gedaan door [naam 3] , een wijkverpleegkundige die in deze functie in ieder geval van 1 november 2021 tot 17 november 2021 en vanaf 1 februari 2022 bij [bedrijfsnaam] werkzaam was. In het zogenaamde ABG-register van Vektis is over dit dienstverband vermeld: “Naam Rol Start Einde [naam 3] Vrijgevestigd (…) 01-02-2022 01-09-2022 (…) [naam 3] In loondienst bij 01-11-2021 31-01-2022 [naam 3] In loondienst bij 02-09-2022 21-03-2023” 2.9. In de door VGZ c.s. opgestelde onderzoeksrapportage van 28 april 2023 is – samengevat en voor zover van belang – het volgende vermeld: Uit de administratie van VGZ c.s. blijkt een sterke omzetstijging in 2021. [bedrijfsnaam] heeft in 2021 ten opzichte van 2020 € 100.000,- meer omzet gegenereerd. VGZ c.s. heeft aan [naam 2] gevraagd of de zorgindicaties uit 2021 van zeventien bij VGZ c.s. verzekerden, waarop [naam 2] als indicatiesteller is vermeld, juist zijn. Zeven daarvan zijn volgens haar vals opgemaakt. In reactie op de onder 2.7 bedoelde brief is een vervalst diploma van [naam 1] aan VGZ c.s. toegezonden. De onderwijsinstantie die het diploma zou hebben uitgegeven (ROC Nijmegen) heeft daarover desgevraagd verklaard dat en waarom dit diploma niet echt is. Uit de aangeleverde urenstaten blijkt dat [naam 1] zorg aan negen verzekerden heeft verleend zonder dat zij over de benodigde opleiding beschikte. Die zorg had dus niet gedeclareerd mogen worden. In de aangeleverde urenregistraties staat [naam 3] vermeld als ingezet in maanden waarin zij (nog) niet voor of bij [bedrijfsnaam] werkzaam was (januari 2021, april 2021, juli 2021, augustus 2021). Uit log-gegevens die door VGZ c.s. zijn opgevraagd bij de ontwikkelaar van de door [bedrijfsnaam] gebruikte Thuiszorgplanner (een softwareprogramma voor het plannen en beheren van thuiszorg) blijkt dat accounts van wijkverpleegkundigen die bij [bedrijfsnaam] hebben gewerkt werden gebruikt op momenten waarop zij niet (meer) voor of bij [bedrijfsnaam] werkzaam waren, omdat zij op dat moment op vakantie, ziek of uit dienst waren. Via die accounts zijn gegevens in de Thuiszorgplanner, waaronder indicatieformulieren (zogenoemde NANDA NIC NOC formulieren), aangepast, verwijderd of toegevoegd. Het gaat om accounts van [naam 2] en [naam 3] en daarnaast om het (gast)account van [naam 4] , die van 19 november 2018 tot (dan wel tot en met) september 2021 als wijkverpleegkundige voor of bij [bedrijfsnaam] heeft gewerkt. VGZ c.s. concludeert het volgende: ‘6.5 Conclusies Gezien de uitkomsten van ons onderzoek, nemen wij het standpunt in dat (…) fraude heeft plaatsgevonden door op basis van (mogelijk) valselijk opgemaakte zorgindicaties zorg te leveren door (mogelijk) onbevoegd en onbekwaam personeel, dat VGZ is geconfronteerd met correspondentie waarop door mevrouw [naam 1] een valselijk opgemaakte handtekening van mevrouw [naam 3] is geplaatst, door het buiten medeweten van beide melders (wijkverpleegkundigen) om uitvoeren van aanpassingen in verschillende indicatiestellingen, urenroosters en andere documenten binnen de applicatie De Thuiszorgplanner. (…)’ 2.10. Bij brief van 28 april 2023 heeft VGZ c.s. [bedrijfsnaam] over de resultaten van het onderzoek geïnformeerd en meegedeeld dat het in de periode van januari 2020 tot en met 30 juni 2023 aan [bedrijfsnaam] betaalde bedrag – ruim € 832.000,00 – wordt teruggevorderd. Onder meer is in deze brief vermeld: “Er zijn indicatiestellingen aangepast/ingediend terwijl de indicatiesteller niet in dienst of ziek thuis was. (…) VGZ kan niet zien welke specifieke gegevens in de dataplanner zijn aangepast. Echter met de bevindingen uit eigen onderzoek, de verklaringen (met bewijs) van beide melders, de informatie verkregen van andere zorgverzekeraars, het vervalste aangeleverde diploma van u, stelt VGZ dat zij onmogelijk controle kan uitvoeren daar mogelijk alle aangeleverde stukken onrechtmatig aangepast zijn en als echt en onvervalst bij VGZ zijn ingediend.” 2.11. [naam 1] is tijdens een gesprek tussen partijen op 5 juni 2023 in de gelegenheid gesteld te reageren op de onder 2.7 bedoelde brief. Zij heeft nadien via haar toenmalige advocaat stukken aan VGZ c.s. gestuurd. VGZ c.s. heeft bij brief van 13 juli 2023 aan [naam 1] op die stukken gereageerd en de eindconclusie meegedeeld, die inhoudt dat het eerder ingenomen standpunt wordt gehandhaafd. 2.12. Nadat VGZ c.s. conservatoir beslag heeft laten leggen op een bankrekening van [bedrijfsnaam] , is [bedrijfsnaam] een kort geding gestart waarin opheffing van dat beslag is gevraagd. Partijen zijn vervolgens bij depotovereenkomst van 12 juni 2023 overeengekomen dat € 125.000,00 in depot bij de deurwaarder wordt gehouden en dat de gelegde beslagen worden opgeheven. 2.13. Op 16 maart 2023 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onderzoek gedaan, mede naar aanleiding van informatie die zij van VGZ c.s. over [bedrijfsnaam] had ontvangen. [bedrijfsnaam] is op 6 juni 2023 onder verscherpt toezicht gesteld. 2.14. [bedrijfsnaam] verleent sinds december 2023 geen zorg meer. [naam 1] is in dienst getreden bij een andere thuiszorgorganisatie. 2.15. VGZ c.s. heeft [naam 1] geplaatst in het Extern Verwijzingsregister (EVR). 3Het geschil in conventie 3.1. VGZ c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [bedrijfsnaam] en [naam 1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan VGZ c.s. van: € 839.872,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 839.276,61 vanaf de dag der dagvaarding tot die der voldoening, en de (na)kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Aan de vordering legt VGZ c.s. het volgende ten grondslag. [bedrijfsnaam] heeft zorg gedeclareerd waarop geen recht bestaat. Zij heeft fraude gepleegd door ingediende declaraties en haar administratie te vervalsen. VGZ c.s. kan als gevolg van deze handelwijze niet vaststellen welke declaraties rechtmatig zijn en daarom wordt betaling van het totale aan [bedrijfsnaam] betaalde bedrag van € 832.726,11 gevorderd. De grondslag van de vordering is primair onrechtmatig handelen/onrechtmatige daad, subsidiair onverschuldigde betaling. [naam 1] treft volgens VGZ c.s. als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt, omdat zij willens en wetens heeft bewerkstelligd dat [bedrijfsnaam] haar wettelijke en contractuele verplichtingen niet nakomt en omdat [naam 1] bovendien haar diploma heeft vervalst. VGZ c.s. heeft in verband met de fraude in totaal € 6.550,50 aan onderzoekskosten gemaakt. De door VGZ c.s. gemaakte beslagkosten bedragen € 596,07. 3.3. [bedrijfsnaam] en [naam 1] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vordering van VGZ c.s., met veroordeling van VGZ c.s. in de proceskosten. in reconventie 3.4. [bedrijfsnaam] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: verklaart voor recht dat VGZ c.s. aansprakelijk is voor de schade die [bedrijfsnaam] heeft geleden als gevolg van de gelegde beslagen en de afwikkeling daarvan door middel van de depotovereenkomst; verklaart voor recht dat [naam 1] ten onrechte is geplaatst in het EVR; VGZ c.s. veroordeelt tot vergoeding van de schade als gevolg van de gelegde beslagen, nader op te maken bij staat; VGZ c.s. veroordeelt in de proceskosten. 3.5. [bedrijfsnaam] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Indien de vordering van VGZ c.s. in conventie geheel dan wel grotendeels wordt afgewezen, brengt dit mee dat het door VGZ c.s. gelegde beslag onrechtmatig dan wel disproportioneel was en dat VGZ c.s. de schade die [bedrijfsnaam] daardoor heeft geleden, moet vergoeden. Het is aannemelijk dat [bedrijfsnaam] schade heeft geleden als gevolg van de beslaglegging door VGZ c.s. Daarmee is er voldoende grond voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. VGZ c.s. heeft [naam 1] zonder voldoende bewijs en dus ten onrechte in het EVR geplaatst. 3.6. VGZ c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [bedrijfsnaam] in de proceskosten. in conventie en in reconventie 3.7. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De eerste vraag die in deze procedure voorligt, is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.