Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 22-501 Zaaknummer: C/09/639788 Datum beschikking: 22 oktober 2024 Beschikking op het op 15 december 2022 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. M.K. Bhadai te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. M.L.K. Law. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 17 mei 2023 van de IND; - de brief van 14 september 2023, met bijlagen, van verzoeker; - de brief van 6 november 2023, met bijlagen, van de IND; - de brief van 29 februari 2024, met bijlage, van verzoeker. Op 24 september 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. Bhadai namens verzoeker en mr. Law namens de IND. Verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. Feiten De grootvader vaderszijde, [de grootvader] (hierna: de grootvader), is geboren op [geboortedatum 1] 1928 te [geboorteplaats 1] , Suriname. De grootmoeder vaderszijde (hierna: de grootmoeder), [de grootmoeder] , is geboren op [geboortedatum 2] 1939 te [geboorteplaats 2] , China. De grootouders zijn op [huwelijksdatum 1] 1958 in Suriname gehuwd. Uit het huwelijk van de grootouders is de vader van verzoeker, [de vader] (hierna: de vader), geboren op [geboortedatum 3] 1968 te [geboorteplaats 1] , Suriname. De grootouders woonden in Suriname ten tijde van de geboorte van de vader. Op 25 november 1975 trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS) in werking. De vader woonde op 25 november 1975 samen met de grootmoeder in Suriname. De grootvader woonde toen in Nederland. De grootmoeder is op 31 augustus 1976 ingeschreven als inwoner van de gemeente [plaatsnaam] . Op 25 augustus 1980 heeft de grootmoeder bij die gemeente een kennisgeving afgelegd op grond van artikel 8 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) ter verkrijging van het Nederlanderschap. Op [huwelijksdatum 2] 1996 trouwde de vader met [de moeder] (hierna: de moeder), geboren op [geboortedatum 4] 1968 te [geboorteplaats 3] . De ouders hebben in de periode van 1997 tot 2002 in Nederland gewoond. Uit het huwelijk van de ouders is verzoeker geboren op [geboortedatum 5] 1998 te [geboorteplaats 4] . De moeder had op dat moment de Surinaamse nationaliteit. In 2002 zijn de ouders met verzoeker naar Suriname verhuisd. Verzoeker heeft zich op 19 augustus 2016 weer gevestigd in Nederland en hij is in het bezit van een vergunning tot verblijf regulier. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten. Verzoeker stelt dat hij op grond van artikel 3 lid 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) (oud) het Nederlanderschap heeft verkregen. Hij stelt daartoe dat zijn ouders ten tijde van zijn geboorte woonplaats hadden in Nederland en ook zijn grootmoeder vaderszijde op dat moment in Nederland woonde. Verzoeker stelt dat uit genoemd artikel niet blijkt dat zijn grootmoeder ten tijde van de geboorte van zijn vader woonplaats in Nederland zou moeten hebben. Ten tijde van de geboorte van de vader van verzoeker had de grootmoeder de Nederlands nationaliteit, althans de staat van Nederlands-onderdaan-niet Nederlander en woonde zij in Suriname, een ‘Overzees Rijksdeel’ van Nederland. Verzoeker voert verder aan dat Suriname ten tijde van de geboorte van zijn vader nog onderdeel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. Op de zitting is namens verzoeker nog aangevoerd dat de grootmoeder van verzoeker bij de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit heeft behouden, althans had moeten behouden, omdat zij was gehuwd met een Nederlander. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. De IND betwist niet de door verzoeker gestelde feiten, maar stelt zich op het standpunt dat omdat de grootmoeder van verzoeker ten tijde van de geboorte van de vader van verzoeker niet in Nederland woonde, niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3 lid 3 RWN (oud). Verder stelt de IND dat het feit dat Suriname tot 25 november 1975 deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden niet relevant is. De IND verwijst nog naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 april 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0918). Beoordeling In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt die nationaliteit te ontlenen aan zijn grootouders van vaderszijde. Vast staat dat de grootvader van verzoeker al vóór het huwelijk met de grootmoeder de Nederlandse nationaliteit had en ook steeds heeft behouden. Door het huwelijk van de grootouders van verzoekers verkreeg de grootmoeder ook de Nederlandse nationaliteit. Vóór 1 maart 1964 volgde de gehuwde vrouw immers automatisch de nationaliteit van haar man. De vader van verzoeker verkreeg vervolgens de Nederlandse nationaliteit, omdat hij uit een Nederlandse vader werd geboren. Nadien, op 25 november 1975, trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS) in werking. Op dat moment woonde de grootvader in Nederland, dus buiten Suriname. Hij behield daarom de Nederlandse nationaliteit. De grootmoeder woonde op dat moment met de vader in Suriname. Op grond van artikel 4, aanhef en onder b, en lid 3 van de TOS verkreeg de grootmoeder daarom op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit. De vader kreeg als minderjarige op dat moment van rechtswege de nationaliteit van zijn moeder op grond van artikel 6 lid 2 van de TOS. Ook hij verkreeg dus de Surinaamse nationaliteit en verloor daarbij de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk van de grootouders was op grond van de toen geldende regelgeving niet (meer) doorslaggevend voor de nationaliteit van de grootmoeder. De rechtbank volgt de stelling van verzoeker, dat de grootmoeder in 1975 de Nederlandse nationaliteit zou hebben behouden als gevolg van haar huwelijk met een Nederlander, dan ook niet. Ten tijde van de geboorte van verzoeker luidde art. 3 RWN, voor zover hier van belang: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.