← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2024:1756

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.3111 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is een tolk verschenen. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Burundische nationaliteit te hebben. De maatregel van bewaring
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
  3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen. Zicht op uitzetting
  4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Eerdere pogingen om eiser uit te zetten hebben nergens toe geleid. Dat eiser op zijn telefoon een foto heeft van een identiteitsdocument, maakt niet dat er nu zicht op uitzetting is. Dit document is namelijk van eisers broer en is 23 jaar geleden afgegeven.
  5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Burundi. Het enkele feit dat eiser in het verleden niet is uitgezet maakt niet dat op voorhand zicht op uitzetting op dit moment ontbreekt. Naar aanleiding van de foto van het Burundische identiteitsdocument op eisers telefoon en de verklaring van eiser dat hij uit Burundi komt, heeft verweerder terecht aanleiding gezien om een lp-aanvraag in te dienen bij de ambassade van Burundi. Verweerder heeft in zijn brief van 6 februari 2024 toegelicht dat de diplomatieke vertegenwoordiging van Burundi lp’s afgeeft en dat zowel zelfstandige als gedwongen terugkeer naar Burundi mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel
  6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Eiser is iedere dag in de Pauluskerk in Rotterdam en was dan ook bereikbaar. Verweerder had daarom een meldplicht moeten toepassen.
  7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. In dat kader acht de rechtbank van belang dat hiervoor is overwogen dat uit de gronden van de maatregel het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure volgt. In de omstandigheid dat eiser dagelijks in de [naam kerk] is, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft terecht overwogen dat dit geen vaste woon- of verblijfplaats is, zodat niet kon worden volstaan met een meldplicht. Ambtshalve toets
  8. Voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie
  9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  11. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Laissez-passer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.