RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/5379 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2024 in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer 1] , mede namens haar minderjarige kind: [minderjarige] , V-nummer: [V-nummer 2] , (gemachtigde: U. Tasdelen), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2024, waarin de minister de aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’ en ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [verzoekster] ’ heeft afgewezen. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd. 1.
- Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister. Verzoekster heeft op 21 maart 2024 de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende dat bezwaar. 1.
- De minister heeft op 9 oktober 2024 beslist op het bezwaar en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
- De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een verzoek om voorlopige voorziening is dus alleen ontvankelijk als er ook bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen het besluit. Dat is het zogenoemde connexiteitsvereiste.
- Verzoekster heeft haar verzoek om voorlopige voorziening ingediend hangende de bezwaarprocedure. Nog voordat de voorzieningenrechter op dit verzoek heeft beslist, heeft de minister op 9 oktober 2024 een besluit op het bezwaar van verzoekster genomen. De voorzieningenrechter heeft verzoekster op 11 oktober 2024 gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tegen het besluit van 9 oktober 2024 (nog) geen beroep heeft ingesteld. Verzoekster voldoet dus niet aan het connexiteitsvereiste. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober
- de griffier de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81 van de Awb.