uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.20148 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp) en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoeker, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van verzoeker. Op 5 juli 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft aangegeven de proceskosten niet te willen vergoeden. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- Verzoeker heeft op 14 mei 2022 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder had uiterlijk op 22 maart 2024 op de aanvraag moeten beslissen.1 Verzoeker heeft verweerder op 25 april 2024 in gebreke gesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder deze ingebrekestelling, ingediend per fax, op dezelfde dag heeft ontvangen. Verzoeker heeft meer dan twee weken
- ECLI:NL:RBDHA:2024:
- na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het voorgaande zou hebben geleid tot een ontvankelijk beroep.
- Nu er sprake is van een ontvankelijk beroep, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker door alsnog op zijn aanvraag te beslissen.
- Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier. t