RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/658490 / HA ZA 23-1107 Vonnis van 4 september 2024 in de zaak van [naam 1] , te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat: mr. J.H. Bargeman, te Rotterdam, tegen 1 [naam 2] , te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. P.M. Jongeling, te Den Haag, 2 [naam 3] , te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. P.M. Jongeling, te Den Haag, 3 3. [naam 4] , te [woonplaats] , gedaagde in conventie, niet verschenen. Partijen worden hierna ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘ [naam 4] ’ genoemd. Partijen worden gezamenlijk [naam 2] c.s. genoemd. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 28 november 2023, met producties 1 tot en met 12; - het op de rol van 20 december 2023 tegen [naam 4] verleende verstek; - de conclusie van antwoord van [naam 2] en [naam 3] , tevens conclusie van eis in reconventie van 31 januari 2024, met producties 1 tot en met 4; - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte voorwaardelijke eiswijziging van 12 maart 2024, met productie 13; en - het tussenvonnis van 3 april 2024, waarbij een plaatsopneming is bevolen en een mondelinge behandeling is bepaald. 1.2. De plaatsopneming heeft op 18 juni 2024 in het bijzijn van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en hun advocaten plaatsgevonden aan de achterzijde van de [adres 1] te [woonplaats] . Van de waarnemingen is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben aansluitend tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zijn toegevoegd aan het griffiedossier. 1.3. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor overleg tussen partijen over een minnelijke regeling. Partijen hebben op de rol van 24 juni 2024 gevraagd vonnis te wijzen. Vervolgens is een datum voor het wijzen van dit vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen zijn buren van elkaar in [woonplaats] . [naam 1] woont op het adres [adres 1] (in onderstaande afbeelding perceelnummer [perceelnummer 1] ), [naam 2] en [naam 3] wonen op het adres [adres 2] (perceelnummer [perceelnummer 2] ) en [naam 4] woont op het adres [adres 3] (perceelnummer [perceelnummer 3] ). De achterzijden van deze percelen grenzen aan een erf dat in eigendom toebehoort aan de gezamenlijke eigenaren van de VvE (perceelnummer [perceelnummer 4] ). [Afbeelding verwijderd inverband metprivacygevoelige informatie] 2.2. Het gemeenschappelijke erf wordt door partijen de ‘back alley’ genoemd. Ten gunste van [naam 1] is een erfdienstbaarheid gevestigd om vanaf zijn perceel met gebruikmaking van de back alley te komen en te gaan naar de openbare weg. 2.3. Het perceel van [naam 1] wordt van de back alley afgescheiden door een schutting. Vanuit deze schutting bezien bevindt zich aan de rechterkant de carport van [naam 2] en [naam 3] en aan de overzijde de carport van [naam 4] . 2.4. Aan de achterzijde van het perceel van [naam 1] bevindt zich een toegangsdeur in de schutting (hierna: ‘de oude toegangsdeur’). Aan de rechterzijde van de schutting, de zijde die grenst aan de carport van [naam 2] en [naam 3] , heeft [naam 1] in mei 2021 een tweede deur gerealiseerd (hierna: ‘de nieuwe toegangsdeur’). 2.5. [naam 1] heeft (in het verleden) meerdere camera’s aan en om zijn woning geplaatst: een deurbel met camerafunctie naast de nieuwe toegangsdeur (‘camera 1’), een deurbel met camerafunctie naast de oude toegangsdeur (‘camera 2’), een bolcamera aan de dakgoot van zijn woning (‘bolcamera’) en een camera in de serre. 2.6. [naam 2] c.s. hebben op 15 november 2022 [naam 1] in kort geding (met zaak- en rolnummer C/09/638079 / KG ZA 22/1006) gedagvaard en verwijdering van camera’s gevorderd. De voorzieningenrechter heeft op 30 november 2022 mondeling uitspraak in het kort geding gedaan, die is vastgelegd in een proces-verbaal van de zitting (hierna: het kortgedingvonnis). De beslissing in conventie in het kortgedingvonnis luidt, voor zover hier relevant: “De voorzieningenrechter: in conventie “2.1. veroordeelt [naam 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera naast de nieuwe toegangsdeur naar zijn perceel (camera 1) en de bolcamera aan de dakgoot van zijn woning te verwijderen en deze vervolgens verwijderd te houden; 2.2. verbiedt [naam 1] om op een zodanige manier een camera aan zijn schutting, gevel of dakgoot te bevestigen dat daarmee beelden van de tuin en/of de woning van [naam 3] c.s. kunnen worden opgenomen; 2.3. verbiedt [naam 1] om een camera te installeren die de mogelijkheid heeft om geluid op te nemen; 2.4. bepaalt dat [naam 1] een dwangsom verbeurt van € 100,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij in strijd handelt met één of meer van de in 2.1. tot en met 2.3. genoemde vorderingen, tot een maximum van € 5.000,--; (…)” 2.7. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. 2.8. Bij brief van 9 maart 2023 heeft de advocaat van [naam 1] aan de advocaat van [naam 2] c.s. voorgesteld in overleg te gaan over de bevestiging van nieuwe camera’s. 2.9. Namens [naam 1] is op 25 oktober 2023 aan de advocaat van [naam 2] c.s. een brief met de volgende inhoud gestuurd: “Mocht u willen voorkomen dat een procedure wordt opgestart, dan dient u mij uiterlijk 1 november a.s. te berichten dat het cliënt vrijstaat om de deurbelcamera weer naast de toegangsdeur tot zijn tuin kan ophangen zonder dat u aanspraak zult maken op de dwangsommen op grond van het vonnis. Daarnaast bericht ik u dan cliënt op korte termijn een nieuwe camera aan de gevel zal installeren. Deze camera zal uitsluitend gericht zijn op de eigen tuin van cliënt, zodat cliënt binnen de reikwijdte van het verbod van de voorzieningenrechter blijft. Het vonnis behelst uitdrukkelijk niet dat, in tegenstelling tot hetgeen u wellicht veronderstelt, dat cliënt in het geheel geen camera aan de gevel mag ophangen.” 2.10. [naam 2] heeft per e-mail op 31 oktober 2023 laten weten niet akkoord te gaan en dwangsommen op te eisen als [naam 1] de deurbelcamera terugplaatst en/of een nieuwe camera aan de gevel installeert. 3Het geschil in conventie 3.1. [naam 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat hij gerechtigd is om een (deurbel)camera met geluidsfunctie op te hangen naast de nieuwe toegangsdeur tot zijn perceel, in weerwil van het verbod uit het kortgedingvonnis; II. te verklaren voor recht dat hij gerechtigd is om camera’s aan de gevels van zijn woning te hangen, meer in het bijzonder aan de achtergevel, waarmee zijn eigen perceel wordt gefilmd; III. [naam 2] c.s. te verbieden om jegens hem executiemaatregelen te nemen op grond van het verbod onder 2.1, 2.2 en 2.3 van het kortgedingvonnis, in het geval hij een (deurbel)camera met geluidsfunctie ophangt naast de nieuwe toegangsdeur tot zijn perceel en/of een camera aan de achtergevel van zijn woning die uitsluitend in zijn eigen perceel filmt, op straffe van een dwangsom van € 750,00 per dag of dagdeel dat executiemaatregelen van kracht zijn met een maximum van € 20.000,00; IV. [naam 2] c.s. te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure. 3.2. [naam 1] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij in beginsel gerechtigd is om als eigenaar van zijn perceel gebruik te maken zoals hem dat goeddunkt en dat hij dus ook camera’s mag ophangen. Indien een belangenafweging gemaakt moet worden, moet zijn belang om camera’s op te hangen prevaleren boven dat van zijn buren. 3.3. [naam 2] en [naam 3] voeren verweer en concluderen [naam 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel zijn vorderingen af te wijzen, althans een eventuele toewijzing van de vorderingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [naam 2] en [naam 3] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam 1] te veroordelen tot: I. het afsluiten en afgesloten houden van de nieuwe toegangsdeur in de schutting aan de zijde van de carport van [naam 2] ; II. het verwijderen en verwijderd houden van de camera bij de oude toegangsdeur in de schutting; III. het verwijderen en verwijderd houden van de camera in de uitbouw/serre van de woning van [naam 1] ; alle op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat [naam 1] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,00. 3.6. [naam 2] en [naam 3] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat met het realiseren van de nieuwe toegangsdeur sprake is van onrechtmatige gevaarzetting en dat de camera’s een grote inbreuk maken op hun privacy. 3.7. [naam 1] voert verweer en concludeert de vorderingen in reconventie af te wijzen, met veroordeling van [naam 2] en [naam 3] in de kosten. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie Ontvankelijkheid 4.1. [naam 2] en [naam 3] voeren aan dat [naam 1] een aantal vorderingen instelt ten aanzien van de woning, die het gezamenlijk eigendom is van zowel [naam 1] als diens partner Georgia Maureen van Thol. Uit de dagvaarding is niet kenbaar dat de rechtsvorderingen zijn ingesteld namens de gemeenschap, zodat [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vorderingen. 4.2. De rechtbank verwerpt het verweer van [naam 2] en [naam 3] , allereerst omdat het plaatsen respectievelijk verwijderen van een camera een beheersdaad is, die door een van de deelgenoten van een gemeenschap kan worden uitgevoerd. Voor een dergelijke vordering is het dus niet noodzakelijk dat alle deelgenoten in rechte betrokken worden. Daarnaast geldt dat [naam 1] gelijk heeft dat er geen vorderingen zijn ingesteld ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Deze bodemprocedure vloeit echter voort uit de eerdere kortgedingprocedure die tussen [naam 2] c.s. – in die procedure als eisers – en [naam 1] – in die procedure als gedaagde – is gevoerd. Destijds is (alleen) [naam 1] in persoon door [naam 2] c.s. betrokken in de procedure bij de voorzieningenrechter met een bevel de camera’s aan zijn woning te verwijderen. Dit heeft geleid tot een veroordeling van [naam 1] tot verwijdering van een aantal camera’s (zie randnummer 2.6 voor het dictum). [naam 1] heeft in deze bodemprocedure een verklaring voor recht gevorderd dat het hem is toegestaan de (deurbel)camera naast de nieuwe toegangsdeur weer te bevestigen en een camera aan de gevel van zijn woning te plaatsen en dat [naam 2] c.s., als hij de camera’s ophangt, geen dwangsommen kunnen opeisen op grond van het kortgedingvonnis. De vorderingen hebben dus geen betrekking op de gemeenschap maar zien op de executie van het tussen [naam 1] en [naam 2] c.s. gewezen kortgedingvonnis. [naam 1] is dus ontvankelijk in zijn vorderingen. De (deurbel)camera naast de nieuwe toegangsdeur 4.3. De rechtbank zal allereerst beoordelen of het gebruik van de (deurbel)camera naast de nieuwe toegangsdeur inclusief de mogelijkheid om geluidsopnames te maken onrechtmatig is. Dat is het geval als de camera gericht is op de woning of leefomgeving van [naam 2] c.s. en daardoor inbreuk wordt gemaakt op hun recht op privacy. Een rechtvaardigheidsgrond kan de onrechtmatigheid wegnemen. Daarvoor moet een afweging worden gemaakt tussen enerzijds de ernst van de inbreuk op het privacyrecht en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Daarbij kan worden meegewogen of de belangen ook op een andere, minder verstrekkende manier, bereikt kunnen worden. 4.4. Tijdens de plaatsopneming is geconstateerd dat de camera naast de nieuwe toegangsdeur zich op circa 1,20 meter hoogte bevindt, op een afstand van 30 centimeter van de carport van BridjmohanMartina en [naam 3] . De camera maakt beeld- en geluidsopnamen en slaat aan op het moment dat beweging in het ingestelde vlak wordt waargenomen. [naam 1] heeft de camera zo ingesteld dat ruim de helft van het beeld zwart is gemaakt. Deze instelling is door [naam 1] aan te passen. Het ingestelde vlak omvat een strook grond van circa een halve meter breed naast de schutting, die naar het einde van de schutting iets breder uitloopt. Op het moment dat de camera aanslaat worden ook geluidsopnamen gemaakt. Hiermee worden gesprekken in de tuin en carport van [naam 2] en [naam 3] opgenomen, in ieder geval als de roldeur van hun garage/carport geopend is. 4.5. De rechtbank oordeelt dat met deze camera inbreuk wordt gemaakt op het privacyrecht van [naam 2] c.s.. Het kunnen opnemen van gesprekken in achtertuin en (de ruimte voor) de carport van [naam 2] en [naam 3] vormt een inbreuk op dit recht. Het gebruik van de camera is daarom in beginsel onrechtmatig. [naam 1] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit afgeleid moet worden dat in dit geval een rechtvaardigheidsgrond bestaat die de onrechtmatigheid wegneemt. De niet met stukken onderbouwde en door [naam 2] en [naam 3] betwiste stelling dat in het verleden veel ingebroken werd in de omgeving van de woning, is een onvoldoende onderbouwing. Daarbij komt dat zijn doel, bescherming en behoud van eigendommen, ook bereikt kan worden door uitsluitend beeldopnamen te maken van die eigendommen, bijvoorbeeld door alleen de schutting te filmen. Voor de realisatie van dat doel is het niet nodig om tegelijkertijd geluidsopnames te maken, waarmee ook gesprekken van [naam 2] en [naam 3] op en voor hun eigen perceel kunnen worden vastgelegd. De gevorderde verklaring voor recht om een camera met geluidsfunctie naast de nieuwe toegangsdeur op te hangen moet worden afgewezen. De camera’s aan de gevels 4.6. [naam 1] vordert een verklaring voor recht dat hij camera’s aan de gevels van zijn woning mag ophangen, waarmee zijn eigen perceel wordt gefilmd. 4.7. De rechtbank stelt voorop dat met een verklaring voor recht bindend vastgesteld wordt wat de rechtsverhouding tussen partijen is. De vordering van [naam 1] heeft betrekking op camera’s waarmee zijn eigen perceel gefilmd wordt. Van een rechtsverhouding tussen partijen, in de zin van een eventuele inbreuk op het privacyrecht, kan pas sprake zijn als [naam 1] een camera plaatst die (ook) (de woning en/of leefomgeving van) [naam 2] c.s. filmt. Daar ziet deze vordering van [naam 1] niet op. Door het plaatsen van camera’s waarmee uitsluitend het eigen perceel wordt gefilmd worden geen rechten van [naam 2] c.s. geschonden. [naam 2] en [naam 3] erkennen dit ook. [naam 1] heeft om die reden geen concreet belang bij deze vordering. [naam 1] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in vordering II. De executiemaatregelen 4.8. Ten slotte vordert [naam 1] een verbod voor [naam 2] c.s. om executiemaatregelen te nemen op grond van het kortgedingvonnis, in het geval hij een (deurbel)camera met geluidsfunctie ophangt naast de nieuwe toegangsdeur en/of een camera aan de achtergevel die uitsluitend zijn eigen perceel filmt. 4.9. De verboden in het kortgedingvonnis zien kortweg op het verwijderen en verwijderd houden van de camera naast de nieuwe toegangsdeur en de bolcamera. Daarnaast is het [naam 1] verboden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.