Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-5628 Zaaknummer: C/09/670570 Datum beschikking: 11 november 2024 Ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling vaderschap Beschikking op het op 21 februari 2024 ingekomen verzoek van: [verzoeker] , verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. C.J. Forder te Amsterdam. Procedure Bij beschikking van 19 juli 2024 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, zich onbevoegd verklaard van de verzoeken kennis te nemen en heeft de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar deze rechtbank. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 9 april 2024 van verzoeker; - de brief van 13 mei 2024 van verzoeker; - de brief van 15 mei 2024, met bijlagen, van verzoeker; - de brief van 19 augustus 2024, met bijlagen, van verzoeker. Verzoek Verzoeker verzoekt de rechtbank: het verzoek tot ontkenning van het juridische vaderschap van [naam 1] met toepassing van artikel 1:200 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en met inachtneming van artikel 8 EVRM buiten toepassing laten van artikel 1:200 lid 6 BW, gegrond te verklaren; primair: gerechtelijk vast te stellen met toepassing van artikel 1:207 BW dat [naam 2] de vader is van verzoeker; subsidiair: indien de rechtbank niet van oordeel is dat het door verzoeker overgelegde bewijs voldoende zekerheid heeft verschaft over het feit dat [naam 2] de verwekker is van verzoeker, wordt de rechtbank verzocht: a. te bepalen dat alle rechthebbenden op het graf van [naam 2] toestemming dienen te verlenen tot opgraving van het lijk van [naam 2] , geboren op [geboortedag 1] 1901 en overleden op [dag 1] 1982; b. te bepalen dat verzoeker de vergunning die op grond van artikel 29van de Wet op de Lijkbezorging nodig is van de gemeente Roerdalen zal aanvragen; c. te verstaan dat de opgraving en her-begraving van het lijk van [naam 2] door een forensisch antropoloog werkzaam bij Verilabs zal worden gedaan; d. een deskundig onderzoek op grond van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bevelen; e. Verilabs, Noothoven van Goorstraat 11 D, 2806 RA Gouda, als deskundige te benoemen; f. Verilabs te verzoeken het bevolen onderzoek te verrichten en daartoe al datgene te doen dat door Verilabs nuttig en nodig wordt geacht; g. een rechter-commissaris te benoemen onder wier leiding het onderzoek door de deskundige zal worden ingesteld; h. te bepalen dat de deskundige bij zijn onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat daarvan uit het schriftelijk bericht van de deskundige zal blijken; i. te bepalen dat de kosten voor rekening van verzoeker zullen komen; j. te bepalen dat de advocaat van verzoeker een afschrift van de beschikking van de rechtbank aan de deskundige zal toezenden met daarbij de contactgegevens van de advocaat van verzoeker en de advocaat van de belanghebbenden; k. te bepalen op welke datum de deskundige uiterlijk zijn schriftelijk bericht ter griffie van de rechtbank zal inleveren; l. na ontvangst van het schriftelijk bericht van de deskundige te bepalen hoe de behandeling van de zaak zal worden voortgezet; verzoeker in de gelegenheid te stellen met toepassing van artikel 1:5 lid 7 BW ten overstaan van de rechtbank te verklaren dat hij de geslachtsnaam van zijn vader – [naam 2] – wenst te dragen en deze verklaring in de uitspraak op te nemen. Feiten - Verzoeker is geboren op [geboortedag 2] 1949 te [geboorteplaats 1] uit het huwelijk van [de moeder] (hierna: de moeder) en [naam 1] (hierna: [naam 1] ). - Verzoeker heeft drie zussen: [naam 3] , geboren op [geboortedag 3] 1938 en overleden op [dag 2] 2014, [naam 4] , geboren op [geboortedag 4] 1940 en [naam 5] , geboren op [geboortedag 5] 1946, allen geboren uit het huwelijk van de moeder en [naam 1] . - Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit. - De moeder is geboren op [geboortedag 6] 1915 en overleden op [dag 3]
- Zij had de Nederlandse nationaliteit. - [naam 1] werd geboren op [geboortedag 7] 1904 en is overleden op [dag 4]
- Hij had de Nederlandse nationaliteit. - [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is geboren op [geboortedag 1] 1901 en is overleden op [dag 1]
- Hij had de Belgische nationaliteit. - De moeder en [naam 2] hadden ten tijde van hun overlijden hun gewone verblijfplaats in Nederland. - [naam 2] had geen afstammelingen. - Uit een rapport van DNA-onderzoek van 24 juli 2023, verricht door Verilabs, blijkt dat met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,998% verzoeker en [naam 5] een andere, niet verwante vader hebben dan [naam 4] . Beoordeling Ontkenning vaderschap Rechtsmacht De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft in de beschikking van 19 juli 2024 het volgende overwogen. ‘Verzoeker is woonachtig in Frankfurt am Main, zodat niet wordt voldaan aan artikel 3 sub a Rv. Ook aan sub b van dit artikel wordt niet voldaan. De rechtbank dient daarom te beoordelen of de zaak anderszins met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. Uit de ingediende stukken is gebleken dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft en dat ook [naam 1] en [de moeder] de Nederlandse nationaliteit hadden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het verzoek voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is, zodat aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 subs c Rv rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.’ Toepasselijk recht Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit. Ook de moeder en [naam 1] hadden de Nederlandse nationaliteit, zodat geen sprake is van internationale aspecten. Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing. Inhoudelijke beoordeling Op grond van artikel 1:200 BW kan een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap bij de rechtbank worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de echtgenoot van zijn moeder vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend. Verzoeker voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat [naam 1] niet de biologische vader van verzoeker is. Niet ter discussie staat dat [naam 1] de biologische vader is van [naam 4] , de zus van verzoeker. Uit het overgelegde rapport van DNA-onderzoek is gebleken dat verzoeker niet dezelfde vader heeft als zijn zus [naam 4] . Nu verzoeker en zus [naam 4] niet dezelfde vader hebben, verbindt de rechtbank daaraan de conclusie dat [naam 1] niet de biologische vader is van verzoeker. Vaststaat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. De rechtbank merkt op dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkenen is in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind. In het onderhavige geval is het de wens van verzoeker de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Voorts bestaat geen onzekerheid over de positie van de juridische vader, nu hij reeds voor het instellen van het verzoek is overleden. Niet valt in te zien hoe de rechtszekerheid in het onderhavige geval zou worden geschaad bij het niet vasthouden aan de wettelijke termijnen. Uit de stukken is gebleken dat verzoeker niet eerder in staat is geweest het onderhavige verzoek in te dienen. De moeder van verzoeker heeft hem kort voor zijn achttiende verjaardag verteld dat [naam 1] niet zijn biologische vader is. Verzoeker is hierdoor zodanig getraumatiseerd en door pijnlijke gedachten gekweld, dat hij niet in staat is geweest om de nodige actie te ondernemen om het gebrek in zijn identiteit te herstellen. Verzoeker heeft zich voor zijn trauma gewend tot een psycholoog. Uit de bevindingen van de psycholoog blijkt dat verzoeker zodanig door zijn verleden is beschadigd dat het hem niet kan worden aangerekend dat hij niet eerder is gekomen tot het indienen van een verzoek. Door de manier waarop door zijn ouders met zijn afstammingsverleden zijn omgegaan, te weten door hem eerst een idyllische kindertijd te bezorgen om hem vervolgens te laten weten dat zij bewust existentiële informatie hadden achtergehouden, van hem verlangden dat hij zijn leven lang de waarheid in het belang van de lieve vrede zou verzwijgen en de leugen naar buiten uit zou dragen, een zwaar trauma opgelopen. Verzoeker kwam in een loyaliteitsconflict met zijn moeder, juridische vader en biologische vader. Verzoekers vertrouwen in anderen is aangetast en heeft voor een fundamenteel gebrek aan zelfvertrouwen geleid. Door het trauma heeft verzoeker levendige en pijnlijke herinneringen en daarmee een aanhoudende ervaring van stress. Door het trauma, de pijn en de psychologische schade heeft het verzoeker veel tijd gekost om die stappen te ondernemen waarmee het trauma kan worden verdreven. Naast de psychologische schade wilde verzoeker zijn zussen niet kwetsen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker heeft moeten toegroeien naar de huidige situatie vanwege de grote persoonlijke consequenties die de door zijn ouders verzwegen waarheid met zich heeft gebracht. Verzoeker heeft er naar het oordeel van de rechtbank belang bij dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt bracht met de biologische werkelijkheid. Nu aannemelijk is dat de rechtszekerheid in het onderhavige geval niet wordt geschaad en het belang van verzoeker niet wordt beschermd door de wettelijke termijn van artikel 1:200, lid 6 BW, maar hierdoor juist wordt geschaad, vormt in dit specifieke geval de termijnstelling een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid EVRM. De rechtbank wijst het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap toe. Gerechtelijke vaststelling vaderschap Rechtsmacht Omdat verzoeker woonachtig is in Frankfurt am Main wordt ook hier niet voldaan aan artikel 3 sub a Rv. Ook aan sub b van dit artikel wordt niet voldaan. De rechtbank dient daarom ook ten aanzien van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap te beoordelen of de zaak anderszins met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. Uit de ingediende stukken is gebleken dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft en dat ook de moeder van verzoeker de Nederlandse nationaliteit had. De moeder en [naam 2] woonden ten tijde van hun overlijden in Nederland. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het verzoek voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is, zodat aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub c Rv rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Toepasselijk recht Artikel 10:97 lid 1 BW bepaalt dat of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaalt door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Lid 3 bepaalt voorts dat voor de toepassing van lid 1 bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek. Is de persoon, genoemd in lid 1, of de moeder op dat tijdstip overleden, dan is, bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit op het tijdstip van zijn overlijden, toepasselijk het recht van de staat waar die persoon en de moeder op dat tijdstop elk hun gewone verblijfplaats hadden of, indien ook dat ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip van de indiening van het verzoek. Op het moment van indiening van het verzoek waren de moeder en [naam 2] beiden al overleden. Ten tijde van hun overlijden waren zij woonachtig in Nederland, zodat Nederlands recht op het verzoek van toepassing is. Artikel 1:207 lid 1 BW bepaalt dat het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, of het kind. De wet noemt geen termijn waarbinnen het verzoek door het kind moet worden ingediend. In beginsel is een DNA-onderzoek het meest gerede middel om vast te stellen of [naam 2] de verwekker is van verzoeker. In dit geval is [naam 2] al geruime tijd overleden. De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat uit de stukken voldoende aanwijzingen zijn verkregen, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat [naam 2] de biologische vader is van verzoeker. Uit de overgelegde brieven komt namelijk het volgende beeld naar voren. Omstreeks september 1938, dus na voltrekking van het huwelijk tussen de moeder en [naam 1] , ontmoette de moeder [naam 2] . In januari/februari 1940 hebben een aantal ontmoetingen plaatsgevonden tussen de moeder en [naam 2] , die zich zeer tot elkaar aangetrokken voelden. De moeder was toen in verwachting van zus [naam 4] , van wie geen twijfel bestaat dat zij de dochter is van [naam 1] . Tijdens de Tweede Wereldoorlog traden de moeder en [naam 2] toe tot het verzet. De moeder was lid van een Nederlandse groepering en [naam 2] werd lid van een Belgische verzetsgroep. Beide verzetsgroepen werkten samen gedurende de oorlog, waardoor de moeder en [naam 2] voortdurend met elkaar in contact waren en zij naar elkaar toe groeiden. De moeder was open over haar relatie met [naam 2] . [naam 1] heeft deze situatie, ondanks dat hij het vreselijk vond, geaccepteerd. Na de oorlog werden verzoeker en zus [naam 5] geboren. Juridisch gezien zijn zij de kinderen van [naam 1] maar in werkelijkheid zijn zij de biologische kinderen van [naam 2] . De moeder heeft niet van [naam 1] willen scheiden omdat zij dan haar twee oudste dochters, [naam 3] en [naam 4] kwijt zou raken. De relatie met [naam 2] bleef wel in stand. [naam 2] woonde grotendeels bij hen in de echtelijke woning van de moeder en [naam 1] . In de overgelegde briefwisseling tussen de moeder en [naam 1] wordt gesproken over de onderlinge verhoudingen en hoeveel verdriet dit [naam 1] doet. Impliciet blijkt uit deze brieven dat [naam 1] ervan op de hoogte was dat [naam 5] en verzoeker de kinderen van [naam 2] zijn. Ook uit een verklaring van 13 januari 2023 van [naam 6] die van 1955 tot 1962 in dienst was van de familie en als huishoudster dag en nacht aanwezig was in de woning van de familie, blijkt dat verzoeker en [naam 2] een bijzondere band hadden. [naam 2] was vaak aanwezig in de woning. Verzoeker bracht veel tijd met hem door. Ook kreeg verzoeker mooie cadeaus van [naam 2] waaronder en Shetland pony. Uit een brief van 16 augustus 1958 blijkt dat [naam 1] aan de moeder schrijft: ‘(…) Ook van geen nut voor [naam 5] van wie ik zielsveel houd, en wier genegenheid ik erg zou missen. Dat mijn vertrek voor [naam 5] zwaar zou zijn, geef ik je gaarne toe, maar het leven met ons drieën na het vertrek van [naam 4] zal ook moeilijk voor haar zijn, vooral als ze ouder wordt. Ik ben vader, doch heb geen enkele zeggenschap en kan mij op geen enkel punt verenigen met jullie wijze van opvoeden. Als zij ouder wordt zal zij, als ze het niet met jullie eens is, zich wel eens tot haar vader wenden doch die kan en mag zijn mening niet zeggen. Vader heeft zich, en terecht, te conformeren aan jullie oordeel. (...)’ Hieruit valt af te leiden dat [naam 1] zich bewust is van het feit dat hij niet de biologische vader is van [naam 5] , van wie ook uit het DNA-onderzoek is gebleken dat zij, net als verzoeker, niet dezelfde vader heeft als zus [naam 4] . Hoewel deze brief niet in origineel is overgelegd, is de woordkeuze en manier van schrijven gelijk aan de brieven van [naam 1] , welke wel in origineel zijn overgelegd. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de stelling van verzoeker dat de brief van 16 augustus 1958 ook door [naam 1] is geschreven. Dit alles bij elkaar genomen brengt de rechtbank tot de conclusie dat zowel bij de moeder als bij [naam 1] en [naam 2] bekend was dat [naam 2] de biologische vader is van verzoeker. De betrokken personen hebben ieder om hun eigen redenen nooit de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de feitelijke werkelijkheid. Gelet op het verslag van de psycholoog en de hiervoor aangehaalde brieven en verklaring acht de rechtbank het in dit bijzondere geval niet noodzakelijk om een DNA onderzoek te laten verrichten. Temeer nu [naam 2] geen afstammelingen heeft, waardoor DNA onderzoek alleen mogelijk is indien het lichaam van [naam 2] zou worden opgegraven. Nu er geen andere belangen geraakt lijken te worden door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zal de rechtbank het verzoek zonder DNA-bewijs toewijzen. Geslachtsnaam Verzoeker heeft verklaard de geslachtsnaam [naam 2] te willen dragen. Dit verzoek wordt op grond van artikel 1:5 lid 7 BW toegewezen. Beslissing De rechtbank: verklaart gegrond het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van: [naam 1] , geboren op [geboortedag 7] 1904 te [geboorteplaats 2] , over [verzoeker] , geboren op [geboortedag 2] 1949 te [geboorteplaats 1] , uit: [de moeder] , geboren op [geboortedag 6] 1915 te [geboorteplaats 3] , Nederlands Indië; * stelt vast – onder de voorwaarde dat de beslissing tot ontkenning van het vaderschap onherroepelijk is geworden – het ouderschap van: [naam 2] , geboren op [geboortedag 1] 1901 te [geboorteplaats 4] , over: [verzoeker] , geboren op [geboortedag 2] 1949 te [geboorteplaats 1] , uit: [de moeder] , geboren op [geboortedag 6] 1915 te [geboorteplaats 3] , Nederlands Indië; * stelt vast dat de verklaring van verzoeker luidt dat hij de geslachtsnaam ‘ [naam 2] ’ zal dragen. Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2024.