RECHTBANK Den Haag Team handel - voorzieningenrechter Zaaknummer: C/09/659167 / KG ZA 23-1115 Vonnis in kort geding van 9 februari 2024 in de zaak van LIFTING WORKFORCE B.V. te Amersfoort, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Lifting, advocaat: mr. M.C.V. Dornstedt te Hellevoetsluis, tegen WILBERT TOWERCRANES GMBH te Waldlaubersheim (Duitsland), gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: WTC, advocaat: mr. D.J.J. Folgering te Den Bosch. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 januari 2024, met producties en aanvullende producties; - de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2024. De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overhandigd die in het dossier zijn gevoegd. 1.3. De voorzieningenrechter heeft de zaak pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te bereiken. Bij brieven van 5 februari 2024 hebben partijen de voorzieningenrechter verzocht om op korte termijn vonnis te wijzen. 1.4. Op 9 februari 2024 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking. Deze uitwerking is vastgesteld op 16 februari 2024. 2De feiten 2.1. Lifting houdt zich bezig met de verhuur van torenkranen voor de bouw. WTC ontwikkelt, verkoopt en verhuurt torenkranen. 2.2. Partijen werken samen sinds 2015. Op 15 januari 2020 hebben partijen een overeenkomst gesloten onder de naam: “Vertrag zur Anmietung von Turmkranen”, waarin partijen afspraken hebben vastgelegd over hun samenwerking waarbij Lifting torenkranen huurt van WTC, die zij doorverhuurt aan haar klanten op de (Nederlandse) markt. In artikel 2 van deze overeenkomst wordt verwezen naar een “Standardmietvertrag” op grond waarvan Lifting op dat moment de torenkranen van WTC huurt. 2.3. In de overeenkomst met opschrift “Mietvertrag für Baugerate (Fassung 07/2003)” (hierna: de Standaardhuurovereenkomst 2003) is in artikel 9 lid 1 sub a bepaald dat de huurder de torenkranen na het einde van de huurperiode op zijn kosten moet retourneren aan de verhuurder. In artikel 16 van de overeenkomst is bepaald dat de verhuurder de overeenkomst met onmiddellijke ingang kan opzeggen indien de huurder ondanks een aanmaning meer dan veertien kalenderdagen achterloopt met de betaling van de huur. 2.4. Op enig moment heeft Lifting besloten haar torenkranen niet langer bij WTC te betrekken. Van de (ongeveer) 25 door haar van WTC gehuurde torenkranen had zij er ten tijde van de mondelinge behandeling nog drie in gebruik. Voor deze torenkranen heeft Lifting een drietal huurovereenkomsten gesloten met WTC. Onderaan de betreffende huurovereenkomsten staat vermeld dat partijen in het bezit zijn van de Standaardhuurovereenkomst 2003 en dat de bepalingen uit die overeenkomst van toepassing zijn. De betreffende drie torenkranen zijn onderverhuurd aan Strukton, Pijlentuinenhof en HSB Bouw. Hiertoe heeft een dochtervennootschap van Lifting, Lifting Sales & Rental B.V., overeenkomsten gesloten met de betreffende onderhuurders. 2.5. Bij brief van 14 november 2023 heeft WTC onder verwijzing naar artikel 16 van de Standaardhuurovereenkomst 2003 de overeenkomst met Lifting met ingang van 30 november 2023 opgezegd. In deze “Kündiging” maakt WTC melding van een betalingsachterstand van € 314.366,60. 2.6. Bij e-mails/brieven van 24 november 2023 en 1 december 2023 heeft WTC de drie klanten van Lifting (Strukton, Pijlentuinenhof en HSB Bouw) aangeschreven met de mededeling dat zij (WTC) de overeenkomst met Lifting per 30 november 2023 heeft beëindigd, omdat Lifting ondanks meerdere aanmaningen gedurende langere tijd niet aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Hierbij heeft WTC meegedeeld dat Lifting met ingang van 1 december 2023 niet meer bevoegd is om de kranen te verhuren en de betreffende klanten het aanbod gedaan om de torenkranen met ingang van die datum rechtsreeks van haar te huren. 2.7. Bij brief van 29 november 2023 heeft de advocaat van Lifting tegen de opzegging bezwaar gemaakt. In deze brief heeft de advocaat onder meer geschreven dat er geen reden is voor de aangezegde beëindiging van de huurovereenkomst. 2.8. Bij brief van 7 december 2023 heeft de advocaat van Lifting WTC gesommeerd om het rechtstreeks benaderen van de klanten van Lifting te staken en gestaakt te houden. 2.9. Bij brieven van 22 december 2023 heeft de advocaat van WTC aan de klanten van Lifting meegedeeld dat met het beëindigen van de hoofdhuurovereenkomst met Lifting ook het gebruiksrecht van de betreffende klanten is geëindigd. In deze brief geeft de advocaat de klanten van Lifting in overweging om een huurovereenkomst met WTC aan te gaan en om de betalingen aan Lifting te staken. Bij deze brieven was de Standaardovereenkomst 2003 gevoegd. 2.10. HSB Bouw en Pijletuinhof hebben hun betalingsverplichtingen jegens Lifting opgeschort. 3Het geschil in conventie 3.1. Lifting vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: I. WTC te verbieden de beschreven relaties/klanten van Lifting (op welke wijze en in welke vorm ook, direct of indirect) te benaderen, dit op straffe van een dwangsom; II. WTC te veroordelen om bij wege van bevoorschotting de door Lifting geleden en te lijden schade te vergoeden, bepaald op een bedrag ad € 100.000,-, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, ter zake van de transportkosten en € 50.000,- ter zake van de schade als gevolg van de eenzijdige opzegging van de overeenkomst én het benaderen van de relaties/klanten van Lifting; III. WTC te veroordelen in de proceskosten, de buitengerechtelijke kosten en de nakosten; IV. WTC te veroordelen tot betaling van de door Lifting gemaakte juridische kosten, begroot op € 5.000,- exclusief omzetbelasting. 3.2. Lifting legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De kwaliteit van de torenkranen van WTC is sinds 2019 zodanig afgenomen dat Lifting zich genoodzaakt heeft gezien over te stappen naar een andere leverancier. Het eenzijdig opzeggen van de overeenkomst met Lifting (en daarmee feitelijk de drie huurovereenkomsten voor de verhuur aan de drie resterende klanten voor het einde van de looptijd van die overeenkomsten) en het benaderen van de klanten van Lifting kwalificeert als wanprestatie en onrechtmatige daad. Als artikel 16 van de Standaardhuurovereenkomst 2003 al van toepassing is, dan misbruikt WTC die bevoegdheid met het doel rechtstreekse overeenkomsten met de klanten van Lifting te bewerkstelligen. De handelswijze van WTC kwalificeert als oneerlijke concurrentie. Lifting heeft hierdoor schade geleden. Lifting heeft daarom recht op en een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde verbod en vergoeding van de door haar geleden schade. 3.3. WTC voert verweer. WTC concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Lifting, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Lifting in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. WTC vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: Lifting te gebieden om, nadat de overeenkomsten met Pijletuinhof en HSB Bouw zijn komen te eindigen, de betreffende torenkranen voor haar rekening en risico te demonteren en te retourneren aan WTC in Duitsland, zulks op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Lifting in de proceskosten. 3.6. WTC legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Op grond van de artikel 9 lid 1 sub a van de Standaardhuurovereenkomst 2003 is Lifting verplicht om de torenkranen na afloop van overeenkomst met de onderhuurders op haar kosten te demonteren en te retourneren aan WTC op haar adres in Duitsland. Uit randnummer 35 van de dagvaarding leidt WTC af dat Lifting nu de mening is toegedaan dat WTC die kosten moet dragen. WTC heeft daarom recht op en belang bij de door haar gevorderde voorziening, zulks op straffe van een substantiële dwangsom. 3.7. Lifting voert verweer. Lifting concludeert tot afwijzing van de vorderingen van WTC, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van WTC in de kosten van deze procedure. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. Omdat WTC haar woonplaats buiten Nederland heeft, dient de voorzieningenrechter ambtshalve zijn internationale bevoegdheid vast te stellen. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 26 in verbinding met artikel 35 Brussel I bis, alleen al omdat WTC de bevoegdheid niet heeft betwist. Voor zover Lifting aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat WTC onrechtmatig handelt en dat zij daarvan in Nederland schade ondervindt, is op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Vo Nederlands recht van toepassing. Voor zover Lifting zich beroept op de met WTC gesloten overeenkomst, is op grond van artikel 4 Rome I-Vo Duits recht van toepassing, aangezien WTC de partij is die de meest kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten (het ter beschikking stellen van torenkranen) en zij haar woonplaats in Duitsland heeft. 4.2. Tussen partijen is in geschil of het WTC moet worden verboden de klanten van Lifting te benaderen en of WTC de door Lifting gestelde schade aan haar moet vergoeden. Deze vorderingen zijn alleen toewijsbaar indien aannemelijk is dat WTC wanprestatie heeft gepleegd c.q. onrechtmatig heeft gehandeld en indien voortzetting van dit wanpresteren c.q. onrechtmatig handelen dreigt. 4.3. WTC heeft de klanten van Lifting op de hoogte gesteld van de beëindiging van de tussen haar en Lifting gesloten overeenkomst. Daarbij heeft zij bij de klanten aanspraak gemaakt op teruggave van de torenkranen en hen het aanbod gedaan om rechtstreeks met WTC te contracteren. Hierbij heeft WTC aan de klanten van Lifting meegedeeld dat Lifting ondanks meerdere aanmaningen niet aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. 4.4. Het antwoord op de vraag of de mededelingen van WTC onrechtmatig zijn hangt voor een belangrijk deel af van de vraag of de opzegging van de overeenkomst rechtsgeldig is. Indien de opzegging rechtsgeldig is, zijn (zakelijke) mededelingen over die opzegging en de gevolgen daarvan niet snel onrechtmatig. Met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de opzegging, die moet worden beoordeeld naar Duits recht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 4.5. WTC heeft de opzegging gebaseerd op artikel 16 van de Standaardhuurovereenkomst 2003, dat haar de bevoegdheid geeft de overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.