RECHTBANK DEN HAAG Familie- en Jeugdrecht Zaaknummers: C/09/655575 / FA RK 23-7601 en C/09/656580 / FA RK 23-8129 Datum uitspraak: 16 februari 2024 Beschikking van de meervoudige kamer over gezag en voogdij in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden, hierna te noemen de Raad, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [moeder] , hierna te noemen de moeder, ingeschreven in [plaatsnaam] , bijgestaan door mr. A.B. Baumgarten te Den Haag, [vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door mr. S.O. Zengin te Den Haag, [pleegouder 1] en [pleegouder 2],hierna te noemen de pleegouders, [gecertificeerde instelling] , hierna te noemen de gecertificeerde instelling. 1Het verloop van de procedure 1.1. Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen, waaronder het rapport van 3 oktober 2023, ontvangen. 1.2. Op 6 november 2023 heeft de rechtbank een brief van de Raad ontvangen, met daarbij een e-mail van de gecertificeerde instelling van 1 november 2023 en het voornoemde rapport van 3 oktober 2023. In deze brief heeft de Raad op verzoek van de gecertificeerde instelling een oordeel van de rechtbank gevraagd. 1.3. De mondelinge behandeling van het verzoek en de vraag om een oordeel heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 26 januari 2024. Daarbij waren aanwezig: - [naam 1] namens de Raad; de moeder, via een verbinding via beeldbellen, met haar advocaat (in de zittingszaal); de vader met zijn advocaat; de pleegmoeder namens de pleegouders; [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling. 2De feiten 2.1. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] verblijft bij de pleegouders sinds februari 2019. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 november 2023 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 2 december 2024. 3De verzoeken 3.1. De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen, waardoor voortaan het gezag alleen door de vader zou worden uitgeoefend. 3.2. Op verzoek van de gecertificeerde instelling heeft de Raad daarna aan de rechtbank gevraagd te beoordelen of het noodzakelijk is dat het gezag van de vader ook wordt beëindigd. 4De standpunten 4.1. De Raad vindt dat [minderjarige] in het pleeggezin moet blijven wonen en opgroeien. Zij woont daar nu vijf jaar en ontwikkelt zich naar omstandigheden goed, maar heeft veel zorg en aandacht nodig die de ouders haar niet kunnen bieden. In de afgelopen jaren is het niet aan de orde geweest dat [minderjarige] weer bij de moeder of de vader kon gaan wonen. De aanvaardbare termijn daarvoor is nu (ruim) verstreken. Daarnaast geeft de moeder onvoldoende invulling aan haar rol als ouder met gezag. Zij komt afspraken onvoldoende na, stelt haar eigen of andere belangen boven die van [minderjarige] en ziet niet in dat dit beschadigend is voor [minderjarige] . De moeder sluit al jaren niet meer fysiek aan bij netwerkoverleggen en is sinds november 2022 niet meer fysiek, maar enkel via videobellen, naar de contactmomenten met [minderjarige] gekomen. De moeder geeft telkens redenen of stelt voorwaarden waardoor zij niet kan komen. Bij de vader is dat anders. Hij stelt zich meewerkend op en zet zich binnen zijn mogelijkheden in. Hij volgt adviezen op en kan daarom steeds beter bij [minderjarige] aansluiten. Hoewel de vader de wens houdt om zelf voor [minderjarige] te zorgen ziet de Raad, anders dan bij de moeder, voor de vader wel mogelijkheden om het gezag te behouden mits hij erin berust dat [minderjarige] in het pleeggezin opgroeit. Het onderlinge contact tussen de vader en het pleeggezin is goed, waardoor op termijn zou kunnen worden toegewerkt naar een vrijwillige samenwerking. In het kader van de ondertoezichtstelling kan worden uitgezocht of dat tot de mogelijkheden behoort. 4.2. De gecertificeerde instelling vindt dat het gezag van beide ouders moet worden beëindigd. Voor wat betreft de moeder sluit de gecertificeerde instelling aan bij het door de Raad ingenomen standpunt. Met betrekking tot het gezag van de vader vindt de gecertificeerde instelling dat de vader een grotere wens heeft dan [minderjarige] aankan. Al ruim drie jaar wordt gewerkt aan acceptatie van de plaatsing in het pleeggezin, maar de vader houdt de wens om meer contact met [minderjarige] te hebben. Daarnaast houdt de vader de wens om op termijn (deels) voor [minderjarige] te zorgen. De verwachting is niet dat zijn gedachten daarover plaats zullen maken voor intrinsieke berusting. De beslissing om het gezag van de vader te beëindigen zou kunnen bijdragen aan het acceptatieproces van de vader en zou daarmee in het belang van [minderjarige] zijn. Deze beslissing verandert niets aan de samenwerking en het belang van goed en zoveel mogelijk contact tussen de vader en [minderjarige] . 4.3. De moeder wil haar gezag behouden. Zij betwist dat zij beslissingen tegenwerkt of onvoldoende bereikbaar is. De moeder ervaart dat er niet naar haar wordt geluisterd. Zij heeft vijf kinderen om voor te zorgen en kampt met gezondheidsklachten en stress. Zij kan om die redenen, vanwege de afstand, beperkte financiële middelen en het niet hebben van een oppas voor de andere kinderen niet naar [minderjarige] toekomen. Zij wil dat wel heel graag. De moeder betwist ook dat zij onvoldoende bereikbaar is of beslissingen belemmert. Zij wil alleen graag weten waar een gevraagde beslissing over gaat en de tijd hebben om een en ander te lezen voordat zij iets tekent. Met verwijzing naar jurisprudentie daarover stelt de moeder zich op het standpunt dat geen sprake is van de situatie dat haar handelen dermate belastend is dat daardoor een onveilige of beschadigende opvoedsituatie ontstaat, zodat het niet noodzakelijk is om het gezamenlijk gezag, waarbij de vader dus zijn gezag behoudt, te beëindigen. 4.4. De vader wil zijn gezag behouden. Hij accepteert dat [minderjarige] in het pleeggezin woont en heeft dat al vaak aangegeven. Hij is zich ervan bewust dat hij [minderjarige] niet zal opvoeden. Hij staat er wel voor open om op termijn de zorg met het pleeggezin te delen, maar volgt daarin wat [minderjarige] aankan. Hij hoopt als vader altijd op zoveel mogelijk contact, zoals een keer logeren, maar hij legt zich neer bij het meest haalbare. De vader heeft ook laten zien dat hij in staat is gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen, dat is altijd goed gegaan. Hij stelt dan ook, in lijn met jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat behoud van zijn gezag, en daarmee voortzetting van zijn juridische familieband met [minderjarige] , niet schadelijk is. 4.5. De pleegmoeder heeft verteld dat het met [minderjarige] steeds beter gaat. Als het druk is of de spanning oploopt, reageert [minderjarige] daar wel sterk op. Ze heeft dan bijvoorbeeld moeite met eten. Het contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt goed, maar soms is het teveel voor [minderjarige] , bijvoorbeeld na een drukke week met school en therapie. De pleegmoeder ziet dat de vader signalen oppikt, maar het is voor [minderjarige] moeilijk om aan te geven wat zij wel of niet aankan. Daarom is het fijn dat de bezoeken begeleid zijn. 5De beoordeling van de rechtbank Ten aanzien van het gezag van de moeder 5.1. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien (a.) een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b.) de ouder het gezag misbruikt. 5.2. Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het privé- en gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer vereist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat die belangen voorop staan bij het nemen van een beslissing over het kind. Op grond van artikel 8 EVRM geldt dat indien het doel van – in dit geval – het beëindigen van gezag met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het privé- en gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit). 5.3. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 5.4. Uit het onderzoek van de Raad en het verloop van de ondertoezichtstelling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de moeder onvoldoende in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. De aanvaardbare termijn daarvoor is verstreken en het is voor [minderjarige] van belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is dat zij in het pleeggezin zal opgroeien, waar zij al bijna haar hele leven woont. Daarnaast is overtuigend gemotiveerd dat de moeder onvoldoende in staat is de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en dat zij haar verantwoordelijkheden als gezaghebbende ouder niet neemt. De rechtbank is ervan geschrokken dat de moeder [minderjarige] al zo lang niet heeft gezien, terwijl [minderjarige] wel naar de moeder vraagt. Het is dan ook pijnlijk dat de pleegmoeder een moederdagcadeau van [minderjarige] naar de zitting heeft meegenomen en dat weer niet aan de moeder heeft kunnen geven, omdat de moeder niet naar de rechtbank is gekomen. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van de moeder en alle omstandigheden die daarbij komen kijken, maar ziet ook duidelijk een patroon waarbij de moeder de schuld van gebeurtenissen buiten zichzelf legt. Zij lijkt haar eigen aandeel in de situatie te miskennen en verzandt in bezwaren en verwijten. Anders dan de moeder heeft de rechtbank niet de indruk dat de pleegouders en de gecertificeerde instelling de moeder niet tegemoet willen komen. Zij benadrukken het belang van goed contact en hun samenwerking met de vader verloopt wel goed. Voor de rechtbank staan de belangen van [minderjarige] voorop. Zij heeft er belang bij dat belangrijke beslissingen over haar snel kunnen worden genomen door degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.