Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-8393 (scheiding) / FA RK 24-1727 (verdeling) Zaaknummer: C/09/657069 (scheiding) / C/09/662707 (verdeling) Datum beschikking: 18 november 2024 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 14 november 2023 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. Orman-Bakirhan te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Harmankaya te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het bericht van 14 december 2023 namens de vrouw; het bericht van 20 december 2023, met bijlage, namens de vrouw; het bericht van 2 januari 2024, met bijlagen, namens de vrouw; het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, namens de man; het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, namens de vrouw; de e-mail van 13 maart 2024 namens de vrouw; de e-mail van 20 maart 2024 namens de man; de brief van 9 oktober 2024, met bijlagen, namens de vrouw; het bericht van 10 oktober 2024, met bijlagen, namens de man; het bericht van 11 oktober 2024, met bijlage, namens de vrouw. Op 21 oktober 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Feiten De vrouw en de man zijn gehuwd op [huwelijksdag] 2009 in [plaats] . Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats] . De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Deze rechtbank heeft op 23 januari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat: [minderjarige 1] en [minderjarige 3] voorlopig aan de man worden toevertrouwd; [minderjarige 2] voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd; ten aanzien van de zorgregeling en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning de volgende regeling geldt: - de man draagt de zorg voor de kinderen in de echtelijke woning iedere dinsdag uit school tot zaterdag 10.00 uur, waarbij de vrouw de woning op dinsdag om 15.00 uur dient te verlaten en tot zaterdag 10.00 uur verder niet meer te betreden; - de vrouw is samen met de kinderen in de echtelijke woning op de momenten dat de man niet de zorg heeft voor de kinderen, de man dient op deze momenten de woning te verlaten en verder niet meer te betreden; - de man, met ingang van 23 januari 2024, aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] van € 64,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt om echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - primair: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; subsidiair: vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen conform punten 16 t/m 18 van het verzoekschrift; vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen conform punten 19 t/m 21 van het verzoekschrift; vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 227,- per maand, bij vooruitbetaling voor de 25e van de maand aan de vrouw te voldoen, met ingang van de datum van het verzoekschrift, althans een bijdrage en ingangsdatum zoals de rechtbank in goede justitie wenst te bepalen; toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ; bevel aan partijen over te gaan tot afwikkeling van de huwelijksgemeenschap conform punten 24 t/m 26 van het verzoekschrift, dan wel de verdeling van de huwelijksgemeenschap te gelasten conform punten 24 t/m 26 van het verzoekschrift, althans rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang, te voorzien in de verdeling van de huwelijksgemeenschap en zelf de verdeling vast te stellen; althans een zodanig beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie mag vermenen te behoren, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert verweer – onder referte voor het verzoek tot echtscheiding – welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van (naar de rechtbank begrijpt) de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man; vaststelling van een zorgregeling waarbij de kinderen iedere vrijdagmiddag tot en met zondagavond bij de vrouw zijn, met verdeling van de vakanties en (islamitische) feestdagen bij helfte; toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ; vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform (naar de rechtbank begrijpt) punten 21 t/m 27 van het verweerschrift; althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie mag vermenen te behoren, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid De rechtbank stelt vast dat geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van beide ouders over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). De vrouw heeft onweersproken gesteld dat het de ouders niet lukt om samen afspraken te maken, omdat zij van mening verschillen over de hoofdverblijfplaats en de invulling van de zorgregeling. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat het gedurende de procedure niet mogelijk is geweest een door beide ouders getekend ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv. Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken beiden om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling Zorgregeling Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De vrouw en de man willen allebei het liefst een co-ouderschapsregeling. Zij zijn het echter niet eens over de invulling van die regeling, omdat zij allebei de kinderen vier dagen bij zich willen hebben. De man heeft op de zitting voorgesteld om de huidige regeling voort te zetten, waarbij de kinderen van dinsdag uit school tot zaterdagochtend bij de man zijn. De man staat ook open voor een regeling waarbij de kinderen de ene week drie nachten bij hem zijn en de andere week vier nachten. Voor hem is het belangrijk om op vrijdagavond met de kinderen te zijn, omdat zij dan een vaste filmavond hebben. De vrouw kan niet met voortzetting van de huidige regeling instemmen, omdat zij op zoek is naar werk en daarvoor minstens vier dagen per week beschikbaar wil zijn. Zij heeft een regeling voorgesteld waarbij de kinderen iedere week bij haar zijn van donderdag uit school tot maandagochtend. Daarbij vindt de vrouw het geen probleem als de kinderen op vrijdagavond bij de man zijn. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de huidige zorgregeling haar zoektocht naar een baan belemmert, omdat in zowel die regeling als haar eigen voorstel de kinderen één volledige werkdag bij de vrouw zijn. Daarmee blijven er in beide gevallen nog vier doordeweekse dagen over waarop de vrouw kan werken. Daarnaast zijn de kinderen inmiddels aan de huidige regeling gewend. De rechtbank acht het in hun belang dat deze regeling wordt voortgezet en zal deze daarom vaststellen. Op de zitting hebben partijen aangegeven dat de huidige birdnesting-regeling in stand kan blijven totdat de partij die niet het huurrecht krijgt eigen woonruimte heeft. Met betrekking tot de vakanties en (islamitische) feestdagen zijn partijen op de zitting overeengekomen dat deze in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal dit vaststellen. De vrouw heeft aangegeven dat zij graag voor bijzondere gevallen, zoals wanneer zij op bedevaart wil, een andere regeling wenst. De man wil niet dat daarvoor nu al een regeling wordt vastgesteld. Aangezien de vrouw hierover geen concrete plannen heeft voorgelegd, kan de rechtbank hier geen uitspraak over doen. De rechtbank laat het aan partijen om hierover afspraken te maken. Hoofdverblijfplaats De rechtbank overweegt dat nu er sprake is van co-ouderschap, de hoofdverblijfplaats van de kinderen een administratieve vaststelling is. De vrouw stelt dat zij alleen een urgentieverklaring en passende woonruimte kan krijgen met voldoende slaapkamers als de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij haar wordt bepaald. De man betwist dit en geeft aan dat de vrouw al een grotere woning kan krijgen als de hoofdverblijfplaats van twee kinderen bij haar wordt bepaald. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw haar stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom de hoofdverblijfplaats van de kinderen verdelen over partijen, omdat dit het beste aansluit bij co-ouderschap. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om de hoofdverblijfplaats van twee van de kinderen bij de vrouw vast te stellen, omdat dit haar zoektocht naar een passende woning in de buurt van Den Haag vergemakkelijkt. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw vaststellen en die van [minderjarige 3] bij de man. Kinderalimentatie De vrouw verzoekt een kinderalimentatie van € 227,- per maand. De rechtbank stelt voorop dat, aangezien de hoofdverblijfplaats van twee van de drie kinderen bij de vrouw wordt vastgesteld, de kinderalimentatie alleen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt berekend. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's. Ingangsdatum De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum de datum van deze beschikking hanteren. Behoefte De vrouw en de man zijn het erover eens dat, conform de berekening in de voorlopige voorzieningenprocedure, de behoefte van de kinderen in 2023 € 483,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte voor de kinderen € 513,- per maand, te weten € 171,- per maand per kind. De totale behoefte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen bedraagt daarmee € 342,- per maand. Draagkracht De behoefte van de kinderen moet door de vrouw en de man worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet volgens de aanbevelingen uit het rapport 2024 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.270)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. Draagkracht vrouw Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een uitkering van € 1.308,- bruto per maand, zoals blijkt uit de overgelegde uitkeringsspecificaties Participatiewet van juli en augustus 2024. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.801,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Bij een NBI van € 0,- tot € 2.065,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI van de vrouw tussen € 0,- en € 1.815,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.